Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

„Hier moet hij zijn. Dat kan niet anders. Naar de zolder mannen."

Wat kraakten de trappen, toen ze er met hun groote gespoorde laarzen op kwamen. Ha, daar stond een groote kist. Op slot. Dat gaf niets. Daar wist Zwijndrecht wel raad op. Zijn zwaard onder 't deksel. Knap, open was 't. Er waren drie kleine koffertjes in. Alle drie op slot. Wat zou daar in zijn? 't Rammelde. Zwijndrecht zet z'n groote voet op 't eerste. Hij trapte er heel hard op. 't Kraakte. Nog een trap. Kapot. Ha, daar zat geld in. Allemaal geldstukken. Neem me mijn geld niet af," zei de boer. „Ge maakt me doodarm."

„We moeten toch wat hebben voor de moeite," grinnikte Zwijndrecht. „Als we de jongen niet vinden, zijn we voor niets hier geweest. Die twee anderen zullen we maar dicht laten. Dat rammelt ook. Daar zitten ook dingen in die we kunnen gebruiken. Hier jij zorgt voor dit, en jij voor dat," zei hij tot twee kerels. Zelf stak hij zijn zakken vol geldstukken uit het kapotte koffertje.

„Mannen we geven de koop nog niet op," zei hij. „We zoeken het huis nog eens af." Ze gingen weer naar beneden. Wat had de boer verdriet. Nu was hij al zijn geld kwijt.

Sluiten