Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Louise opende de deur geheel en Mimi, de mooie, groote, grijze kater, wandelde met gekromden rug en hoog opgetrokken staart de kamer binnen.

Griet mocht het beest, dat, naar zij steeds beweerde geheel alleen het huis van ratten én muizen vrij hield, gaarne lijden, zij kreeg dan ook van de melk, die Griet gemolken had, al het schuim. Dat wist Mimi, en wanneer Griet naai* den stal ging om te melken, zat Mimi reeds op de loer bij de krib in den koestal.

Den zwarte kater daarentegen mocht Griet in 't geheel niet lijden. „Wat hebben wij eigenlijk aan dien zwarten duivel", had zij reeds meermalen gezegd, „ze is toch veel te lui, om muizen te vangen, ze verdient het eten niet, dat ze krijgt".

Mevrouw Vermeulen wist echter wel, waarom Griet niet van zwarte katten hield. Ze was zeer bijgeloovig en beweerde steeds, dat zwarte katten slechte menschen waren, die zich in katten veranderd hadden, om de menschen, wien zij niet goed gezind waren, kwaad te doen.

De kapitein had voor twee jaar dien zwarten kater meegebracht uit Engeland. Men had hem gezegd, dat in Engeland goede muizenkatten.te krijgen waren, en daar hij juist een menigte ratten op zijn vaartuig had, liet hij zich een kater op zijn schip bezorgen en dat was nu „Zwarte Piet" welke naam de kapitein hem gegeven had, toen hij hem medenam naar zijn vaderland.

Het beest had zich op het schip goed van zijn taak gekweten en ook hier in huis had hij, zooak kapitein Vermeulen beweerde, reeds menig ratje gevangen; het was alleen jammer dat Griet, door haar bijgeloovigheid het beest zoo'n haat toedroeg.

„Ik haal zwarte Piet ook binnen, Mama?" zei Hans, toen hij met de appels de kamer in kwam.

„Doe dat maar niet Hans, je weet, dat Griet daar boos om wordt," zei Mevrouw Vermeulen, haar zoontje een verwijtenden blik toewerpend.

Sluiten