Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18

HOOFDSTUK II.

De meisjes Vermeulen stichten een kransje.

De winter zond zijn boden uit: de sneeuwvlokken. In 't begin waren er slechts enkele in de lucht waar te nemen; doch tegen den avond kwamen er steeds meer, en den volgenden morgen was de wereld in een wit kleed gehuld.

„Hoera!" riep Hans, „nu is het winter. Als ik vanmiddag uit school kom, haal ik de slede te voorschijn.

Het was steeds zijn gewoonte geweest, als het sneeuwde zijn zusje in de slede naar school te brengen; daarvoor was hij immers een oudere broer. Alleen dezen winter kon hij dit nog doen, dan was het met de pret gedaan. Zoodra hij van deze school af was, moest hij naar het Gymnasium, had vader gezegd; tenminste den eenjarigen zou hij bereiken, dat was tegenwoordig nu eenmaal niet anders.

Naar Amsterdam, waar de scholen zoo voortreffelijk waren en een vriend van vader leeraar was, die ook een zoonje had in zijn leeftijd en een dochtertje, dat drie jaar jonger was.

Hij kende reeds allen, Van Leen, zijn vrouw en de kinderen. Voor twee jaren waren zij in de groote vacantie eens bij hen geweest en hadden ijverig geroeid, de Heer van Leen was ook aan den waterkant geboren en verstond het roeien uitstekend.

Hij was met zijn vrouw een heel eind stroomopwaarts gaan roeien en onderwijl had Hans en zijn zuster gespeeld met de kinderen uit Amsterdam, aan het strand en in de

Sluiten