Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n

voegde erbij: „maar van ons dorp brandt het grootste."

Dat lijkt maar zoo kind, de anderen zijn verder af, en daarom lijken ze kleiner", zeide Mevrouw Vermeulen.

„Ziet eens, komt daar Griet niet nog aan? Ik geloof wel dat ze het is, nu dan heeft ze zeker iets bijzonders, ze komt, als het afgeloopen is", zeide de kapitein.

„Ze houdt iets in de hoogte. — O, ik weet het al, ik heb mijn Paaschappels vergeten, die brengt ze mij", riep Louise. „Griet, ik kom bij je."

Na deze woorden spong het meisje den dijk af en liep op Griet toe.

„Daar heb je heel niet aan gedacht, ik zag ze net nog in de eetkamer liggen en die van Hans ook; die moet je toch eten, als je de Paaschvuren ziet branden: anders krijg je kiespijn", zei de brave Griet en begaf zich, na de appels afgeleverd te hebben, direct weer naar huis.

„Griet, ik dank je voor je attentie", riep Louise haar na en ging weer naar haar ouders terug, die op den dijk langzaam heen en weer liepen.

„Wat stil is het water vanavond", zeide mijnheer Vermeulen en bleef een poosje staan, zijn oogen op het zilverglanzende water gericht. „Als je het zoo rustig ziet bewegen, zou je nauwelijks gelooven, dat het zoo wild kan worden, zooals ik het reeds eenige maken meegemaakt heb."

„Papa, wil ü ook een appel eten, of U, Mama?" vroeg Louise en hield haar ouders een klein mandje voor, waarin Griet de appels gelegd had.

„Ik dank je, kindje", zeiden beiden, „eet jij ze maar op."

Langzamerhand doofden de Paaschvuren en hoorde men zingen. „Zij komen nu het dorp in", zeide de kapitein, „wij zullen maar naar huis gaan."

Langzaam gingen zij de smalle trap af en hepen door de weide naar huis. Hans kwam ook reeds aan en vloot de melodie van het üed, waarmede ze het dorp in gemarcheerd waren: Ik had een wapenbroeder.

Sluiten