Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102

„Ik zal nu maar weer direct teruggaan, de menschen zijn er nog alle" — ging hij daarop voort.

„Laat die er maar zijn", viel zijn vrouw hem in de rede; eerst moet je koffie drinken. Wij moeten daarom toch wel op ons zelf passen. Het lot heeft ons getroffen, en wij zullen het moedig het hoofd bieden. Wij zijn toch Goddank gezond gebleven, de boerderij is verbrand, nu ja, die zal wel weer opgebouwd en opnieuw netjes in orde gemaakt worden."

Van Walen keek zijn vrouw verwonderd aan. „Ik geloof haast, dat je blij bent, dat je hier bent", zei bij.

„Spreek toch niet zoo", antwoordde zij verwijtend, „maar het doet mijn hart goed, dat wij allen met zulke oprechte hartelijkheid opgenomen zijn."

„Maar waar is Grootmoeder eigenlijk, die zie ik heelemaal niet?" vroeg Van Walen en keek de kamer rond.

„Die hebben wij naar bed gebracht. Dat was het beste voor haar", antwoordde vrouw Van Walen.

„Daar heb je gelijk aan", zei de boer, „let maar op haar, dat het haar aan niets ontbreekt. Ik vind het toch maar het beste, om even naar de boerderij terug te gaan."

„D* kan immers wel even meegaan", wendde zich vrouw Van Walen tot haar man, toen deze naar de deur ging. „Blijf jij maar hier. Er is daar een vreeselijke walm," „Hoe moeten we met de linnenkoffers doen? kunnen wij die daar van nacht laten?" vroeg de boerin.

„Ja, ja", antwoordde Van Walen. „De knecht blijft in de schuur en ik blijf van nacht op de boerderij. Morgen kunnen ze dan weggehaald worden."

„Waar zijn de bedden?" vroeg vrouw Van Walen toen zij den leegen wagen voor het huis zag staan.

„Die hebben wij boven in het huis luchtig uitgehangen, daar drogen ze, ze waren immers nat geworden", antwoordde mevrouw Vermeulen en liet haar buurvrouw haar logeerkamer zien.

Sluiten