Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

Evenals of dit Hendrik veel schelen kon. Hij begon er naar te verlangen, in 't hok en alleen te zijn, want dan zouden de spottende blikken van de menschen hem niet meer kunnen bereiken.

Maar 't ging niet naar 't hok. Want zie, ze gingen het kerkplein voorbij en 't hok was in den toren. O, 't ging naar 't gemeentehuis. En Hendrik begreep, dat de burgemeester er bij te pas zou komen.

Daar was bij echter niet bang voor. Hij kwam den burgemeester wel eens tegen in de dorpsstraat en die groette hem altijd vriendelijk terug. Die had een vroolijk, goedmoedig gezicht en de menschen zeiden van hem, dat hij veel te dik was om kwaad te worden. Neen, Hendrik was voor den burgemeester niet bang.

Maar toch, toen hij door den veldwachter in de burgemeesterskamer geduwd werd en staan moest blijven voor de tafel, waarop het deftige, groene kleed lag, werd het wel anders. Toen voelde hij zich al heel slecht op zijn gemak en wenschte hij vurig, dat er maar spoedig aan deze kwelling een eind zou komen.

't Was waar, bij' had het liever met den burgemeester te doen als met den veldwachter, maar 't was in elk geval toch de burgemeester, en die was zelfs de baas van den veldwachter. Die kon je in 't hok laten stoppen.

Even keek Hendrik naar den dikken meneer in den grooten stoel achter de tafel en, heel even, flitste het bij al zijn ellende tóch door zijn hoofd: „Wat heeft die maar een beetje haar, bij zoo'n grooten bol gerekend."

Burgemeester van Hiemen had, toen bij den veldwachter na Hendrik zag binnenkomen, zijn pen neergelegd en een paar groote vellen papier op zijde geschoven.

Ook was bij gemakkelijk in zijn leunstoel gaan zitten en, terwijl hij achterover leunde, paste hij den vinger van zijn rechterhand tegen dien van de linkerhand. Dat was

Sluiten