Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

en, druk aan 't spelen, wist hij niets beters te doen, dan dat allegaartje te deponeeren op zijn hoofd onder zijn pet. Maar al die dingen hadden hem bij 't spelen erg gehinderd en toen had hij, hij wist het weer heel goed, 't zoo lang maar gelegd op 't stoepje van kleermaker Walstra. Natuurlijk, toen bij eindelijk naar huis ging, had hij er heelemaal met meer aan gedacht. Dom, dat hem dit alles niet dadelijk, toen hij van den diefstal was beschuldigd, in den zin was gekomen, maar toen was hij ook heelemaal in de war geweest. Nu wist hij wel weer alles. En nu was 't ook zoo duidelijk als de rlag, dat hij de konijnen niet kon gestolen hebben. „Moeder, ik weet 't al."

En nu volgde er een heel verhaal, waaruit noch de burgemeester, noch moeder, zoo dadelijk wijs konden worden. Maar de burgemeester vroeg maar en vroeg maar en zoo .langzamerhand werd alles duidelijk. En vrouw Bakker knikte zoo nu en dan met het hoofd en deed er ook een woordje bij en 't eind van alles was, dat de veldwachter binnengeroepen werd en óók op de hoogte gebracht. Hij bromde eerst nog wel wat over brutale bengels en stijfkoppen, maar hij zag toch in, dat Hendrik onschuldig was en was nu eerlijk genoeg, om dat te erkennen ook.

„Nou," zei hij, „dat valt dus mee. 'kHad gedacht, dat je een volleerde leugenaar was, baasje, maar zoo is 't beter, en pas nou maar op, dat je nooit in 't hok terecht komt. Begrepen?"

Hendrik knikte van ja, maar heel vriendelijk keek hij den veldwachter niet aan. Die had toch niet dadelijk zoo leelijk behoeven te zijn, vond hij. En op meester was hij ook nog wel boos en op de kinderen uit zijn klas. Die hadden dan toch maar allemaal geloofd, dat hij een dief was.

Sluiten