Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

Toen hij er zooveel van genomen had, als hij noodig had, trok hij 'n kleine geldbeurs uit den zak, maar op 'n teeken van moeder moest hij ze er weer insteken.

Nadat moeder het kistje weer in de kast gezet had, zei ze : „U had nog 'n anderen wensch, is 't niet ?"

„Zeker," zei Harald, „ik heb nog één verzoek. — Ik zou u namelijk dringend willen verzoeken, om tegen niemand iets te zeggen van m'n verblijf hier op de hofstede, zeker niet zoolang ik hier ben."

Moeder keek Harald vragend aan. Ook Manni en ik stonden verwonderd over dit vreemd verzoek, maar we zwegen stil.

Harald merkte onze verwondering en zei: „U zult de reden van dit verzoek best kunnen begrijpen, 't Is namelijk erg pijnlijk voor mij, om over de daad van m'n broer uitgevraagd te worden. Daarom tracht ik zooveel als ik kan, heel weinig met de menschen in aanraking te komen, wanneer ik op vreemde plaatsen kom."

Deze verklaring stelde ons eenigermate gerust en kort daarop werd Harald naar de kamer gebracht, waar hij den nacht kon doorbrengen.

DERDE HOOFDSTUK.

De berg lokt ons.

Toen Manni en ik den volgenden morgen opstonden, had Harald al lang de hofstede verlaten. Z'n aankomst en z'n verblijf bij ons was verder ook door niemand op Mödruvellir opgemerkt. Er kwamen immers voortdurend zooveel gasten naar de groote hofstede.

Sluiten