Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

mes in den snuit, van het eene neusgat tot het andere....

Een woedende ruk van den kant van den gewonden stier, bewerkte nog, dat de snee veel grooter werd, als ik ze wilde maken. Daarbij sneed ik mezelf nog in den vinger van m'n linkerhand.

Met 'n pijnlijk gebrul rukte de stier zich los. Hij steigerde 'n paar maal gelijk een wild paard, keerde zich daarna om, en rende, zoo snel het zware houtblok dat toeliet, woedend snuivend in Zuid-Oostelijke richting den berg af.

Dit alles was in den tijd van 'n goede tien seconden gebeurd. M'n bindgaren had ik niet door de snede kunnen steken, maar, behalve dit, was mijn plan boven alle verwachting uitstekend gelukt.

De stier kwam niet meer terug. Hij zette z'n loop voort, tot hij achter de naastbijgelegen heuvels verdween. Fidel liep hem nog achterna en achtervolgde hem als 'n bezetene.

Zonder 'n woord te spreken, sprongen Manni en ik van den steen af. We namen elkander bij de hand vast en liepen, zoo snel als onze vermoeide beenen het toelieten, naar de hooge berghelling, waar ik mijn paard had achtergelaten.

Weldra waren we op de plaats aangekomen en vonden het dier, op den grond liggend, juist in dezelfde houding, als toen we het 's voormiddags den eersten keer aangetroffen hadden.

„Kijk, Nonni," riep m'n broertje, terwijl ie naar 't Zuidoosten wees, „daar is de stier weer. Hij rent altijd verder voort."

Zoo was het ook. We konden hem nog langen tijd zien. Tot onze groote vreugde ging ie al verder hoe verder van ons af, totdat ie achter de rotsen verdween.

KI. Nonni en Manni op de bergen.

a

Sluiten