Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

tot Onzen Lieven Heer bidden, dat Hij ons mag helpen ?"

„Ik vrees, dat het al te laat is, Manni." „We kunnen toch neg wel 'n Onze Vader bidden, Nonni. Wie weet, misschien helpt het nog wel. God kan toch alles."

Met angstig kloppend hart baden we nu 'n Onze Vader en gingen toen weer zitten wachten.

Het duurde niet lang, of daar hoorden we heel duidelijk, hoe de vreemdeling langs den anderen kant den steen naderde. Nu hield ie z'n paard in. — Fidel werd onrustig en begon te brommen. Ik hield hem vast en gebood hem, dat ie zich stil moest houden. Manni en ik kropen neg dichter bij elkaar en sloegen de armen om elkanders hals.

In dezen toestand vond ons de vreemde man.

Hij kwam naar ons toe, gelijk iemand die tegen 'n verborgen vijand op z'n hoede moet zijn. In z'n hand hield hij het geweer, en zoo kwam hij heel langzaam en voorzichtig, het hoofd voorovergebogen, tot bij den rand van den grooten steen. Hij bleef echter 'n goed eind van ons af.

Toen hij ons bemerkte, bleef hij staan, en keek ons scherp aan. — Ook wij keken hem in onzen doodsangst scherp aan, en herkenden in hem, tot onze groote ontsteltenis — Harald Helgason van Borg.

We waren door zijn verschijnen zoo ontsteld, dat we geen woord konden uitbrengen, maar zwijgend en onbeweeglijk daar zaten te kijken, de oogen strak op den vreemdeling gericht.

Harald scheen ons echter te herkennen en verbrak het eerst het stilzwijgen. Hij kwam naar ons toe, gaf ons de hand en zei :

„Maar.... hoe kan dat toch ! Zijn dat Nonni

Sluiten