Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

Harald noodigde ons uit om te gaan zitten, en zei teen :

„Ziezoo, nu zullen we 't avondeten eens gaan klaarmaken. En dan rijd ik den berg af naar Mödruvellir om jullie ouders te gaan zeggen, dat je den nacht bij mij hierboven blijft doorbrengen."

Manni zette een bedrukt gezicht.

„Moeten wij dan heelemaal alleen hier blijven ?" vroeg hij angstig.

„Ja, pas morgenvroeg kun je naar huis rijden ; 't is nu te laat en te ver. Je hoeft hier niet bang te zijn ; er is niemand die je iets zal doen."

„Maar de berggeesten dan ?" vroeg Manni. „Of hebt u zoo maar wat gezegd."

„Wat die betreft, kun je heel gerust slapen," zei Harald glimlachend ; „die gaan zóó zoetjes rond, dat je ze heelemaal niet merkt."

„Wanneer komt u dan weer terug ?" vroeg ik.

„Vannacht pas. Morgen rijd ik dan met jullie naar beneden. — Maar nu moeten we aan eten gaan denken."

Met takjes en dorre blaren legde Harald nu een vuur aan op den grond. Terwijl hij daarmee bezig was, zei mijn broertje, dat niet zoo lang stil kon zitten, tegen me :

„Nonni, zouden we niet eens eventjes naar buiten gaan en kijken, hoe 't er daar uitziet ?"

Dat vond ik natuurlijk dadelijk goed, en zoo kropen we vlug door de enge rotsspleet naar buiten. Maar wat keken we verwonderd op, toen we daar 'n heel ander landschap zagen ! De rotswand, waardoor we 't hol waren ingegaan, zagen we niet. En ook de kleine grasvlakte met de twee paarden was er niet.

„Maar dat is net als hekserij !" riep Manni hardop.

Sluiten