Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

Bij Barnum.

,,'t Bestuur van Barnums dierentent Maakt hiermee aan 't publiek bekend,

Dat bi] de wildé dieren Een man of jongeling wordt gevraagd, Niet klein van stuk en onversaagd,

Met ijzersterke spieren !"

„Dat 's wat voor mij," zei Lange Pier, „Ik ben niet bang voor mensch noch dier „En .... 'k heb weer wat te eten!" Hij meldt zich aan en wordt gehuurd En aanstonds in het „spul" gestuurd, Waar 't volk reeds was gezeten.

„Want," had de spulbaas onoprecht In Lange Pier zijn oor gezegd: „Mijn leeuw is pas gestorven; „En als ik zonder leeuwen kom, „Dan vraagt het volk zijn geld weerom, „En de avond'is bedorven!"

De spullebaas gaf dus bevel, Als leeuw verkleed in 't beestenspel,

Onmiddellijk te spelen. Een leeuwenhuid kreeg Pier om 't lijf, En weldra was hij buiten kijf, Een leeuw om .... niet te stelen.

Zoo stapte hij de planken op Al schuddend met zijn manenkop

Als koning van de dieren. Maar op 't tooneel lag .... in een hoek .... Een groote tijger, forsch en kloek.

Zijn woede bot te vieren.

Dat had de Lange nooit gedacht, Dat hij, gehuld in leeuwenvacht, Met tijgers zich moest meten! Maar 't was te laat, hij moest vooruit; Het koude zweet doortrok zijn huid, — Dat had hij moeten weten!

Daar richt de tijger zich omhoog En slaat met bliksemflitsend oog Zijn nagels in de planken. Hij rekt zich uit, hij likt zijn baard, En geeselt met zijn forschen staart Zijn bontgestreepte flanken.

Sluiten