Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

Stilletjes-gen haalde hij op, zoodat het snoer flink strak bleef staan. De visch kwam omhoog en sloeg in 't water dat het naar alle zijden spatte. Maar Jan liet hem werken. Hij hield het snoer strak gespannen en zoo bracht hij den visch naar den kant. Gauw 't schepnet er onder en hij had hem, hoor!

Wat een prachtige vangst was dat! Een kolossale baars van wel twee pond. Zoo groot had oom er zelfs nooit een gevangen.

Jan was van pret in den derden hemel. Hij moest naar huis om z'n mooien visch te laten zien.

Oom en tante spotten niet meer. Alle twee stonden ze te kijken van dien prachtbaars.

„Die moest je ons geven Jan, omdat je zoo dikwijls de schuit mag leenen," zei oom.

„Nee oom," zei Jan, „die is veel te mooi. De voorntjes kunt u wel krijgen, maar de baars niet." En Jan wou de voorntjes al uit het net halen.

„Ben je mal vent," zei oom, ,,'t is immers maar gekheid." Maar Jan was erg royaal, omdat hij zoo gelukkig geweest was. Hij lei de twee voorns op tafel en wou ze niet meer terug hebben.

Toen naar huis. Maar hij moest langs den secretaris, die juist met z'n vrouw buiten stond.

„Wat heb je daar voor 'n mooien visch gevangen Jan?" vroeg de secretaris.

„Een baars," zei Jan. „Een kanjer, hé?"

„En heb jij die zelf gevangen?"

„Ja, ik alleen."

Sluiten