Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

valler, maar ze liet er niets van merken. Ze ging naar de H. Mis en te communie net als andere dagen, en toen ze thuis kwam, was ze even vroolijk als altijd.

Toen kon moeder niet langer meer wachten.

„Kind," zei ze, „is er niets bijzonders gebeurd op je slaapkamertje?"

Verwonderd keek de kleine op. „Neen moe."

„Is er wezenlijk niets bijzonders?"

„Neen moe, maar ik zal wel eens gaan kijken."

Ze trippelde weg en een oogenblik later was ze terug zoo blij als een engel. „Ha moe, wat een mooi parapluutje! Ik had wel gedacht, dat u er mij een geven zou. En net een, zooals ik er liefst een zou hebben!" Toen was het huis te klein. Iedereen moest de mooie blauwe paraplu met zijden rand zien, en vooral de mooie beenen knop, de kop van een hazewind.

„O moe, als 't nu maar eens wou regenen!"

„Ik heb liever mooi weer," zei moe; „ik ben met die nattigheid niets gediend."

„Maar één keertje moest het toch regenen moe, vóór of na de school. Dan kan ik m'n parapluutje eens meenemen."

lederen avond ging de paraplu mee naar 't slaapkamertje. En als 't kind 's morgens opstond, een kruisje gemaakt en een schietgebedje gedaan had, lachte ze tegen haar parapluutje.

Vroolijk Volkje. IX. 6

Sluiten