Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

in huis en we hadden 't heel goed, want ik had werk met hoopen. Ik tikte wel eens een borreltje, maar dat had niets te beteekenen. Eiken Zondag een borreltje of vier, dat kon er best af.

Maar jongen, al te goed duurt dikwijls niet lang. Misschien heb ik den grooten Baas van hierboven niet genoeg bedankt. Het ongeluk kwam in ons gelukkig huisje. M'n brave vrouw werd ziek en stierf binnen de acht dagen.

Ik was er van overstuur, en toen.... ja, toen heb ik de grootste domheid begaan van m'n leven. Ik moet er nu nog voor boeten.

In plaats van m'n troost te zoeken bij O. L. Heer, ging ik naar de kroeg. Daar waren er genoeg, die me wilden troosten, maar 't was hun om m'n centen te doen. Ik tracteerde en dronk zelf mee, tot alles op was.

Och, wat heeft m'n lief moederke in die dagen geleden! Dat braaf mensch! Ze schaamde zich haast om op straat te komen, omdat haar jongen zoo'n kroeglooper geworden was.

Ik wou me bekeeren, maar de drankduivel had me goed in z'n klauwen en liet niet los.

Wat moest ik aanvangen? Thuis kon ik 't niet meer uithouden, voor de kroeg had ik geen centen meer. Ik moet hier weg, dacht ik op 't laatst, ik wil naar zee. En.... ik ging naar zee.

Jongen jongen, wat viel dat af! 't Was daar sjouwen en zwoegen dag en nacht. Van niemand Vroolijk Volkje IX. 9

Sluiten