Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

daarin aanwezig waren; toen zijn gelaat zich hierop tot een grijnslach plooide, hoorde Willem zijn buurman opeens halfluid zeggen: „Ze zijn d'r nog;" en een half onderdrukt gelach volgde. Willem vroeg aan Johan, wat de oorzaak zou zijn van dien zoo opvallenden grijnslach, en wat hij met die „ze" bedoelde en Johan legde hem toen in korte woorden fluisterend uit, dat het de martelwerktuigen waren, en dat die den Meester op zekeren keer eens waren ontstolen, waardoor hij, na lang tevergeefs gezocht te hebben, zich nieuwe had moeten aanschaffen, en dat hij sinds dien tijd eiken morgen en eiken middag voor schooltijd in den lessenaar voelde, of Ze nog op hun rechte plaats daarin lagen.

In het begin had Johan, terwijl hij dit vertelde, gedurig naar den meester gekeken, of deze ook op hem lette; maar toen hij dit met scheen te bemerken, was hij argeloos voortgegaan, waardoor het dan ook niet aan 't oog van Grevel ontgaan was, dat hij zat te praten.

Nauwelijks had hij dan ook opgehouden, of daar vloog met snelle vaart een liniaal door de klas, en zou den misdadiger juist op 't hoofd getroffen hebben, had deze niet bijtijds het gevaar gezien en ontdoken, terwijl de liniaal rakelings over hem heen vloog en zijn achterbuurman, een zekeren Groote, onverwachts pijnlijk op 't voorhoofd trof, 't geen deze met 'n gil deed opvliegen.

Die ontduiking van de zoo welverdiende straf, moest de onderwijzer, volgens zijn oordeel, dubbel streng straffen, terwijl Johan ook voor 't feit, dat hij 'n ander voor z'n misdrijf had doen boeten, gekastijd moest worden. Daarom gelastte hij Pietersen den liniaal bij hem te brengen, en riep daarop een van de grootste jongens van de geheele klasse, dien Mr. Grevel gebruikte als hulp, om de jongens af te ranselen — „om-

Sluiten