Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

„Goeie morgen!" hoorde men van verschillende kanten antwoorden.

Willem trachtte de duisternis te doorboren, maar dat viel hem wel wat moeilijk; alleen kon hij vaag de omtrekken onderscheiden van het nachtgewaad der jongens, die reeds weer opstonden. Lang behoefde hij zich evenwel niet in te spannen. Een lichtje flikkerde, nog een en nog een, en dadelijk daarop werd de zaal verlicht door drie der lampen, die Mr. Jackson zooeven had uitgedaan.

„Zoo kunnen we tenminste zien, wat we zeggen," merkte er een op.

Dat was nog nooit voorgekomen in de dagen, die Willem nu op Crowbury had doorgebracht, en de andere jongens keken dan ook wel een beetje lachend, toen ze zijn verwonderden blik zagen; en uit nieuwsgierigheid geheel vergetende waar hij was, zeide hij opgewekt, zonder zich ook maar één oogenblik te bedenken: „Hé jongens, wat gaan jullie uitvoeren?"

Maar verwonderd keken de anderen op, want zij hadden op hun beurt niet minder reden om te vragen: Hé, wat ga j ij nu doen?"

Zou hij werkelijk geen suffer, en niet zoo'n blokker zijn? Zou Ralph Clentard gelijk hebben? Zou hij soms zin hebben om ...?

Maar ze dachten niet verder door, en begonnen met elkander te praten.

Gretig luisterde hij naar 't onderwerp, dat door de jongens besproken werd, en dacht in 't geheel niet aan 't uur van den dag, beter gezegd van den nacht.

Een half uur hadden ze misschien zoo gepraat, toen plotseling een van de jongens het scheen op te merken, dat hij met veel belangstelling hun gesprek volgde. Toen hij hun eerst die verbaasde vraag gedaan had, hadden allen

Sluiten