Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

DOMME SYTSE

het juist leuk telkens iets nieuws te roepen, om hem te plagen.

Er was een groote jongen komen aanloopen, een, die al een lange broek droeg. Hij had een bruinen kiel aan en een zuidwester op. Hij had uit de verte gehoord, wat de jongens schreeuwden. Hij dacht: „O, dat is weer tegen die Sytse."

Boosaardig had zijn oog geflikkerd, en toen hij vlak bij het troepje was gekomen, duwde hij de jongens opzij en terwijl hij Sytse stevig bij zijn arm pakte, snauwde hij hem toe:

„Al jullie netten zijn stukgeslagen, hoor. Er zijn een heele hoop kurken en netflarden aangespoeld, allemaal van jullie. Zeg dat straks maar tegen je lieven broer, hoor, domme Sytse!"

Sytse begreep den jongen niet, omdat hij niet wist, hoe zijn broer Kees altijd ruzie had met dien grooten jongen.

De jongens hadden allemaal geluisterd en hielden toch even stil, nu ze hoorden van dingen, die voor een visschersjongen heel erg waren. Netten stukgeslagen ! Ze wisten wel, dat zoo iets voor Sytse z'n vader en voor eiken visscherman heel droevig was. En nu ze dat erge zoo ruw hoorden zeggen, vergaten ze even hun plagerij.

Sytse bleef stil en stom van verbazing dien ruwen jongen aankijken en daarom schudde deze wilder

Sluiten