Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

DOMME SYTSE

op de bank neer, en luid snikkend jammerde hij z'n jongensverdriet uit.

Alle menschen waren gemeen, niemand was aardig voor hem, niemand wilde hem begrijpen, als hij goed wilde doen.

Ineens voelde hij zich beet pakken, voortgeduwd werd hij naar de deur. Hij hoorde nog gegrinnik, onderdrukt gelach, toen het klappen van de deur: en hij was alleen, alleen om z'n verdriet uit te snikken

Om twaalf uur had hij een flink standje gehad, omdat hij gevochten had, brutaal en dom was geweest. En na afloop van meesters bestraffende woorden, kreeg hij een groot stuk papier mee, waarop sommen stonden.

„Die ga je vanmiddag thuis maar maken, en morgen geef je ze mij maar."

Sytse stond daarna langzaam op. Nóg kon hij niet vertellen, wat er eigenlijk gebeurd was. En waarom zou hij 't ook aan dien meester vertellen?

In heel z'n manier van loopen kwam het uit, dat de jongen bang en verslagen was, en als een geslagen hond sleepte hij zich weg.

Meester Botman keek hem na, schudde zwijgend z'n hoofd. Toen de gangdeur dichtklapte, mompelde hij in 't leege lokaal nog: „Sytse, wat ben je toch een wonder kereltje, ik kan je niet begrijpen."

Sluiten