Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

De God, dien ik bemin, heeft me met 't schild des geloofs bekleed; Jesus Christus, mijn Verlosser, zal me van zijn kracht meedeelen: ik vrees noch de wreedheid der beulen noch de macht van je goden!"

— „Offer, Emilianus, of je zult sterven,"

— „Ik zal niet offeren,"

— „Veel christenen, die we ondervraagd hebben, schenen, evenals jij, moedig vóór de folteringen, hun taal was stout en trotsch; doch nadat we ze door pijnigingen tot reden gebracht hadden, werden ze gedwee en gehoorzaam en offerden niet alleen aan de goden, maar ook aan de keizers."

— „Je spreekt als 'n aanbidder van den god der leugen: aan de zoo duidelijke valschheid van je bewering bemerk ik, dat de heidenen niet beter zijn dan de goden, die ze dienen.'

— „Emilianus, je tracht me te verbitteren!"

— „Doorluchtige Diocletiaan, je beweringen noodzaken me aldus' te spreken. Overigens ik ben gedekt met den naam des Heeren en ik zal zonder sidderen de gevolgen van je gramschap ondergaan."

— „Breng ten minste 'n offer aan de fortuin der stad; je kunt toch niet weigeren aan deze zachte majesteit eer te bewijzen."

— ,,'t Beeld der fortuin, dat op de markt staat, is met veel kunst vervaardigd, maar voor mij is 't toch slechts 'n beeld. De zon der waarheid is voor u niet opgegaan: in de duisternissen ronddwalend hou je 't schepsel voor den Schepper! Je zoudt geen goden hebben, indien je ze zelf niet maakte. Als men 't goud, 't zilver of 't koper uit den schoot der aarde gehaald heeft, werpt men 't in 'n gietvorm, en 'n vrij ruwe beeltenis komt te voorschijn; de werkman bewerkt en polijst ze en eensklaps is zijn werk 'n godheid geworden. Je bedrijft dus

Sluiten