Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weder na den langen, bangen winter was de lente gekomen in de bosschen van de Veluwe. Het koolmeesje had het reeds dagen geweten. Het begon al in Februari te zingen: „Dat-weet-ikke, dat-weet-ikke!" En dartelend buitelde het om de kale takken van den hazelaar, waaraan reeds de goudgele katjes bengelden. Deze hadden gedurende den winter als stijve, groezelige dingen aan de takken gezeten. Maar nu strekten ze hun stijve leden en kwamen tot nieuw leven. Lenig zweefden ze in den kouden voorjaarswind. Ze waaiden hun stuifmeel-wolkjes uit, waarop de kleine, roode stampertjes wachtten. Oek, de eekhoorn, die eenige dagen rustig in zijn nest gelegen had, krabde het mos los, waarmee hij den ingang van zijn weibeschut nest had toegestopt en kroop naar buiten. In het bosch was nog niets voor hem te halen, maar hij had honger. En hij wilde zien, of er in één van zijn voorraad-schuren nog beukenootjes waren. Hij herinnerde zich de bergplaats met moeite, want zijn slecht geheugen

3

Sluiten