Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII

INLEIDING.

van boeken uit het eerste deel, die in den loop der jaren zijn komen opduiken.

Veel moeite hebben mij weer de veranderingen in namen van bibliotheken en zelfs van steden bezorgd, symbool van een weinig stabielen tijd. Gedurende de voorbereiding van het werk is, om een enkel voorbeeld te geven, S. Petersburg via Petrograd tot Leningrad geworden, terwijl brieven van één en dezelfde bibliotheek te Hamburg de wisselende opschriften „Stadtbïbliothek", „Staats* und Universitatsbibliothek" en „Bibliothek der Hansestadt Hamburg" vertoonden. Het was niet altijd gemakkelijk uit die veelheid te kiezen en ik sta er geenszins voor in, dat sommige mijner benamingen al niet door nieuwe achterhaald zijnx). Een ander probleem weer bood het lot der Harmsworth-Library te Bexhill-on-Sea, bij stukken verkocht of nog te verkoopen. Reeds is een deel dezer boeken en bloc eigendom van de Folger-Library, Washington, geworden; andere, waarbij de Engelsche bijbels, in de Nederlanden gedrukt, waren bestemd in 1939 of '40 te worden geveild. Met de afgebroken buitenlandsche verbindingen is het thans onmogelijk dergelijke verplaatsingen van exemplaren na te speuren.

Voor de plano-drukken met groote houtsneden, gelijk Sinte AeU waer, Genealogia illustrissimae domus Austriae, Schip ghenaemt Quaet Regement en vele andere, heb ik als criterium gesteld slechts degene op te nemen, die een eenigszins uitvoerigen tekst, en dan in losse typen, hebben. Ondertusschen bleek volkomen consequentie in dezen niet altijd mogelijk, al schuilt er eenige methode in mijn schijnbare inconsequenties. Zoo is bv. no. 3799, Rex Thunissae, met niets dan drie simpele regeltjes tekst, uitsluitend opgenomen wegens de overeenstemming met de andere uitgave van dezelfde houtsnee, no. 3798, die meer tekst heeft. De groote houtsneden-reeks van Jacob Cornelisz. van Oostsanen, gewoonlijk de Ronde Passie genoemd en door Doen Pietersz. uitgegeven, scheen me daarentegen niet voor opneming in aanmerking te komen. Is dus de Ned. Bibliogmphie in dit opzicht misschien kwetsbaar 'voor critiek en vertoont ze soms leegtes, dan is het me een troost, dat Nijhoff's Nederlandsche houtsneden 1500-1540 eventueele lacunes volledig aanvullen.

Bij de voltooiing van het tweede deel gaan mijn gedachten met genoegen terug naar de jarenlange voorbereiding ervan. Het lot is me daarbij gunstig geweest. In April 1923 ben ik de eerste ge-

*) Inderdaad! Op voorschrift van de Duitsche bezetting is na de naam onzer Koninklijke Bibliotheek in Nationale Bibliotheek veranderd en zal ook de Koninklijke Ned. Akademie van Wetenschappen haar eerste epitheton moeten missen. De nieuwe benamingen, kort vóór het afdrukken van dit laatste vel bekend geworden, konden natuurlijk niet meer in onzen tekst gebruikt worden. Aug. 1940.

Sluiten