Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als op een afstand maakte hij de dag van het vertrek weer mee, zag Anne-Marie en Jan met in de plooi gehouden visite-gezichten tegenover zich aan tafel, Toos absent speelgoed en lekkers inpakkend, en Tineke als een aapje in haar kort rood jurkje, bij hem opklauterend, aldoor keuvelend met hem. . . „Oome Dirk, kom je nou ook weer bai ons?, en gane we den boterblomme plokke, samen?, en zelle we vliegere...?" Hij had nog gedacht: „Als dat voorbij is met Toos haar Moeder, zal ik 'ter over hebben met ze, zal ik 'tvoorstellen."

Meteen zei Anne-Marie in een spijtig lachje: „Jullie moete niet denke da-'k ondankbaar bin, want di-'s 't woord niet. Maar nou gaat Zussie toch nooit meer z&o lang weg, ze ken mit skik d'r-eigen ouwers niet meer, we bin heelegaar vreemd 'worren, da-'s zuiver." Diezelfde middag zat hij weer met Hubbink in „De Kroon." Een vreemde ongedurigheid kwam over hem. Hij vouwde een krant open en had geen geduld haar door te lezen, stak een sigaar aan, en lei die half opgebrand Weer neer. Onder schooltijd dacht hij met een schuw behagen aan het borrel-uurtje in „De Kroon", en als hij er zat, wou hij toch maar liever buiten loopen.

Op straat dreef onrust hem naar huis. En zoo gauw hij de kamer inkwam, begon hij zich al te vervelen. Toos zag hij in die dagen enkel met behuilde oogen, en als ze iets zei, was het uitsluitend over haar Moeder . . . het verloop van de ziekte ...

Meestal keek hij langs haar heen in een verlegen wrok. „Zijn Moeder was toch ook dood? Was dit erger...?" Doch soms probeerde hij toch nog wel 's wat goedigs te zeggen, en hij hoorde zelf dat het onverschillig klonk en nuchter. „Nou ja, eeuwig die Moeder... of 't zóo'n wonder was dat die nou ook

390

Sluiten