Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesneden beeldjes op foto 38 stellen den held Pandji uit den Malat en diens vrouw voor. ZuidBali. Hoogte 12,5 cm. Si

39. TWEE PRIESTERS

Twee in hout gesneden figuurtjes die pedanda's voorstellen. Het linker mannetje is naakt op enkele sieraden na; het beeldje is onafgewerkt. Ook het rechter beeldje is niet geheel voltooid. Dit zijn modellen van krisheften, voor goudsmeden bestemd. Afkomstig uit Kloengkoeng. Hoogte 13,5 en 13 cm. Het vignet op blz. 15 geeft een dergelijk, in zilver gedreven handvat te zien, hetwelk eveneens een priester moet voorstellen. - Si

40. KRISHEFTEN IN HOUT EN IVOOR.

In het midden een zeldzaam krisheft van ivoor. Het stelt de raksasa Danoedja voor die een booze geest, boeta Lare, mores leert. Hoog 11,5 cm. Si Links en rechts een in palmhout gesneden handvat, van voren en van achteren gezien. Het stelt boeta Penawesari voor. Hoog 10 cm. Si

41. DRIE HOUTEN KRISHEFTEN

Links een boeta. De beide andere figuren stellen priesters voor. Hoog 9, 12 en 10 cm. Si

42. DRIE KRISHEFTEN IN HOUT EN IVOOR

Links is Doerga, de godin van den dood, afgebeeld. Zie ook 17 en 18. Zij heeft met haar kleed haar schrikwekkend hoofd bedekt, om aldus gemakkelijker de menschen te kunnen naderen. Dicht bij gekomen werpt ze dan haar sluier af en grijpt haar slachtoffer Vast met de geweldige kaken. Het heft in 't midden is van ivoor; het onderste gedeelte met de steenen, wëwër genaamd, is van goud. Het derde heft is van hout. Hoog 12, 12 en 10 cm. Si

43. DRIE KRISHEFTEN

In mijn eerste geïllustreerde „Schetsen van Bali en Lombok" in „Eigen Haard" in 1905, maak ik melding van krisheften, waarvan de versiering uit een fraai gestijleerde tor bestaat, zonder dat ik er mij bewust van was daarmede iets verteld te hebben, dat geheel nieuw was en in strijd met de destijds heerschende meening omtrent inlandsche kunst. Daarbij had ik een teekening van zoo'n krisheft gegeven. Sb Eén van de vertegenwoordigers van de officieele wetenschap, Dr. J. D. E. Schmeltz, destijds directeur van het Rijks Ethnogr. Museum te Leiden, liet er dan ook geen gras over groeien, en schreef in hetzelfde tijdschrift, een week na het verschijnen van mijn stoute bewering, in een ingezonden stuk, het volgende: „Niet het minst heeft dat kunstwerk met de aangegeven voorstelling te maken. Voor alle voorwerpen van soortgelijken aard kiest de Baliër zijn voorbeelden niet uit de hem omringende natuur, maar hij ontleent die aan zijn godsdienstige beschouwingen. Zoo ook hier: wie de afbeelding goed bekijkt zal onmiddellijk aan het boveneinde een vogelbek herkennen en wie b.v. houten beelden van den vogel Garoedha, het rijdier van Wisnoe of soortgelijke beelden, zooals o. m. in 's Rijks Ethnogr. Museum aanwezig zijn, heeft gezien, zal onmiddellijk weten dat wij hier eveneens te doen hebben met het beeld van een rustende Garoedha met neerhangende vleugels.'

12

Sluiten