Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET OEZAO VAN DEN MAN

13

Van de vrouw eischt hij alzoo zeer zeker ondergeschiktheid aan den man, niet aan den man in het algemeen, maar bepaald aan haar eigen man. De toevoeging: „gelijk het betaamt," of liever, „gelijk het betaamt in den Heere," wijst er op, dat dit vermaan aan de vrouwen in Colosse niet zoo heel overbodig was. Ook hier was verschil tusschen wat zijn moet en wat is. De ondergeschiktheid dezer vrouwen aan haar mannen schijnt te wenschen gelaten te hebben. En daarom wijst de Apostel er op, wat aan Christelijke vrouwen, aan vrouwen die in gemeenschap staan met den Heere, eigenlijk betaamde.

Is alzoo onderwerping aan het gezag van haar man plicht voor de vrouw, ook voor de Christelijke vrouw, — ook de man, de Christelijke man, heeft in de wijze waarop hij dit gezag over zijn vrouw moet oefenen, tegenover haar zijn verplichtingen.

Van den man toch eischt de Apostel daarom, dat hij zijn vrouw zal liefhebben. Over den aard van die liefde spreekt hij niet nader, en waarschijnlijk is hier dan ook niet anders bedoeld dan de zoo natuurlijke liefde, die een man voor zijn vrouw hebben moet. Een gezag, geoefend over personen die men liefheeft, zal reeds uiteraard zekere matiging hebben.

Toch acht Paulus het noodig, er nog iets aan toe te voegen.

Hij vermaant de mannen óók, tegen hun vrouwen „niet verbitterd te worden".

Hier legt de Apostel den vinger op een leelijke vlek in het echtelijk leven van de Christenen in Colosse en — niet alleen in Colosse. „Verbittering" wijlt hier op een stemming, op een gemoedsaandoening van onlust, bij den man gewekt, die zich straks uit in het hatelijke, scherpe woord tegen zijn vrouw. Hetzij dan, dat de vrouw zelf door woorden of daden zulk een stemming wekt, hetzij, dat de man, door wat hem buitenshuis onaangenaam trof, uit zijn humeur is geraakt en nu de vrouw, die er dan toch geen schuld aan heeft, het laat misgelden. Dit nu is tegen de Christelijke liefde en daarom zondig.

* * *

Rijker nog is het vermaan, dat de Apostel tot de vrouwen en mannen in zijn brief aan Efeze richt.

In h. 5 : 21 had hij in het algemeen gesproken van de ondergeschiktheid in het Christelijk gemeenschapsleven: „elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods"; en in de nu volgende verzen gaat hij dat toepassen op het gezin. Zij, de ondergeschiktheid, voegt aan de vrouwen tegenover hare mannen.

Doch bij de Christelijke vrouw heeft dit zijn gansch eigenaardige wijding. De vrouw voegt zich onder haar man omdat zij in hem den sterkere ziet, de Christen-vrouw óók omdat zij in hem den hoogere ziet, haar hoofd.

Tusschen haar onderdanigheid aan haar man en haar onderdanigheid aan Christus toch moet zekere analogie of overeenkomst bestaan.

„Gij vrouwen! weest aan uwe eigene mannen onderdanig getjjk aan den Heere; want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is" (vers 22, 23).

Sluiten