Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG VAN DEN MAN

17

ja, gelijk Christus het Hoofd, de wijsheid, troost en bijstand Zijner gemeente is. Bovendien zult gij uw eigen huisvrouw liefhebben als uw eigen lichaam, gelijk Christus Zijne gemeente liefgehad heeft; gij zult niet bitter tegen haar zijn, maar bij haar wonen met verstand, en aan de vrouw, als het zwakkere vat, hare eere geven; aangezien gij medeerfgenamen der genade des levens zijt, opdat uw gebed niet verhinderd worde."

En daarna wordt tot de vrouw gezegd:

„Ten andere zult gij, vrouw, weten, hoe gij u naar het Woord van God houden zult jegens uwen man. Gij zult uwen wettigen man liefhebben, eeren en vreezen, ook hem gehoorzaam zijn in alle dingen die recht en billijk zijn, als uwen heer; gelijkerwijs het lichaam aan het hoofd, en de gemeente aan Christus onderdanig is."

* *

Indien man en vrouw deze plichten niet alleen kenden -— en zelfs daaraan hapert het soms, — maar ook, in die heilige liefde welke een vrucht is van het geloof, deze plichten altijd wilden volbrengen, het huwelijks- en daardoor ook het gezinsleven van vele Christenen zou rijker aan Gods zegen zijn.

Uitnemend wordt ook in ons huwelijksformulier uitgesproken, dat het gezag van den man en de gehoorzaamheid der vrouw niet onvoorwaardelijk, niet onbegrensd zijn. Aan de vrouw toch wordt gezegd, dat zij haar man gehoorzaam moet zijn in alle dingen die recht en billijk zijn. Daarmee wordt dus aan haar de bevoegdheid toegekend om gehoorzaamheid te weigeren; wordt aan haar het recht toegekend om zich te verzetten tegen haar man, wanneer hij in de uitoefening van zijn gezag over haar de grenzen van het recht of van de billijkheid zou overschrijden.

Dit nu hangt saam met wat wij schreven in het eerste, het inleidend hoofdstuk over het vijfde gebod, omtrent den aard van het menschelijk gezag. In tegenstelling toch met Gods gezag over den mensch is het gezag van den mensch over den mensch nooit onvoorwaardelijk, onbeperkt, nooit volstrekt of absoluut. Een mensch, wien het God in Zijn vrijmacht belieft hem te gebruiken om door Zijne hand een ander mensch te regeeren, mag dat niet anders willen doen dan overeenkomstig Gods wil.

Daarbij nu is het Gods wil, èn dat dit regeeren niet ingrijpt in de sfeer waar God onmiddellijk regeert, namelijk die van „leven en dood" en die van het „geweten"; èn dat dit regeeren zich verbijzondert naar den staat der menschen waarover het gaat, dus zoo, dat een man over zijn vrouw anders regeert dan over zijn kind; een heer over zijn knecht anders dan een meester over zijn leerling; een opziener over de leden zijner kerk anders dan een overheidspersoon over de burgers; èn 'dat bij dit regeeren steeds gehoorzaamheid wordt gevraagd voor wat gegrond is in Gods geboden. Gaat toch een mensch, wien het God belieft te gebruiken om door Zijne hand andere menschen te regeeren, daarbij met zijn gebod tegen Gods geboden in, dan zijn die anderen zelfs voor God verplicht te handelen naar het echt anti-revolutionaire woord van Petrus

Ordinantiën IV 2

Sluiten