Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET GEZAG

X.

HET SOCIALE GEZAG.

(Slot)

Desgelijks gij jongen! zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.

1 Petrus 5 : 5.

Van onze beschouwing over het sociale gezag, of m. a w. over het gezag dat in de verschillende kringen der maatschappij door de meerderen over de minderen wordt geoefend en waaraan dan de onderdanigheid van de laatsten aan de eersten moet beantwoorden, brengt dit hoofdstuk het slot

Met een over het kerkelijk gezag en over het politiek gezag, of de verhouding van gezag en onderdanigheid in het kerkelijk en in het staatsleven, zal dan het onderzoek naar wat God ons in het vijfde gebod gebiedt; met een bespreking van de Anarchie in gezin, maatschappij, kerk en staat, naar wat Hij ons daarin verbiedt besloten en daarmede de behandeling van dit gebod geëindigd zijn,

* *

Ging het in de laatste hoofdstukken over het sociaal gezag, om de wijze waarop, naar Christelijke beginselen, zoowel het gezag geoefend als de onderdanigheid moet betoond in dien kring of stand der maatschappij, welks taak het is te voorzien in de stoffelijke of materieele behoeften, en die daarom, mits men het woord in den ruimsten zin neemt, kan aangeduid als de stand, die zich zelf en de anderen voedt thans hebben wij allereerst hetzelfde te doen in betrekking tot den stand die leert.

De wijze alzoo te beschrijven, waarop, naar Christelijke beginselen, ten einde bij het saamwerken tot één doel de veie individueele willen tot één wil te maken en te houden, of, m. a. w. het gezag moet geoefend en daaraan onderdanigheid betoond in dien kring of stand der maatschappij, welke voorziet in de geestelijke behoeften van zich zelf en de anderen.

* * *

Spreken wij hier van een stand die leert en daardoor in de geestelijke behoeften der gemeenschap voorziet, wij bebben daarbij niet uitsluitend het oog op wat men aanduidt als den „geestelijken stand" en waarbij men dan denkt aan die leden der maatschappij, wier bijzondere taak het is, als zielezorgers te voorzien in de godsdienstige en zedelijke behoeften der gemeenschap. Tot den leerstand toch moeten gerekend

Sluiten