Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET GEZAG

Zulk een plaatselijke Kerk kan dan meer of minder zuiver zijn, al naar dat in haar de prediking van het Evangelie, de bediening der Sacramenten en de tucht min of meer zuiver worden geoefend.

De zonde brengt, nadat de Kerk op een plaats is gevormd of geïnstitueerd, telkens deformatie, en het is daarom der geloovigen roeping en plicht, hiertegen door reformatie voortdurend in te gaan.

Wijl verder iedere plaatselijke Kerk een min of meer Zuivere openbaring is van het eene mystieke Lichaam van Christus, van de gemeenschap der geloovigen, heeft zij deze hare eenheid ook in het zichtbare te toonen, door met de Kerken op andere plaatsen gemeenschap te houden; iets wat de Kerken doen in haar z.g. „meerdere vergaderingen" of samenkomsten, dassen en Synoden.

*

Bestaat er, zoo omtrent het wezen der Kerk, als omtrent hare inrichting of institueering, verschil onder de Christenen, het is hier, bij de bespreking van het vtyfde gebod, niet de plaats, daarop in te gaan.

Dan, hoe ook deze inzichten mogen verschillen, hierin zijn allen het eens, dat er ook in de Kerk, gelijk-zij zich openbaart in het zichtbare, een verhouding van gezag en onderdanigheid moet wezen.

Ook over deze verhouding bestaat dan weer 'n verschil, dat wij echter evenzeer laten rosten, om ons alleen te bepalen tot wat zij, volgens de Heilige Schrift, naar Gereformeerd belijden, zijn moet.

* *

En dan staat allereerst onwankelbaar vast, dat Christus niet slechts het mystieke Hoofd van het mystieke of verborgen Lichaam, maar ook de Koning van Zijn in het zichtbare uitkomende Kerk is.

„Koning", niet maar in overdrachtelijken zin, zooals wij ook spreken van „koningen" op het gebied van wetenschap en kunst, en dan menschen op het oog hebben, die een zedelijk gezag over ons oefenen; Koning niet maar zoo, dat Jezus door Zijn zielegrootheid als mensch, of zelfs omdat gij Hem aanbidt als uw Heere en uw God, zekere macht over uw hart oefent; maar Koning in den meest letterlijken zin. ,n

Zeker echter niet in dien volstrekten zin, waarin Vader, Zoon en Heilige Geest, waarin God Drieëenig als de absolute Souverein en bron van alle gezag Koning over u is, maar in den afgeleiden zin, waarin ieder koning, door wiens hand het Gode belieft zijn onderdanen te regeeren, over die onderdanen koning is.

Het is toch altijd, gelijk wij ook in deze bespreking van het vijfde gebod telkens deden uitkomen, God, die krachtens Zijn souverein scheppingsrecht altijd den naar Zijn beeld geschapen mensch regeert, maar in dat regeeren gebruikt den dienst der menschen.

Gelijk een aardsch koning zijn ambt heeft van God, zoo nu ook heeft Jezus Zijn ambt als Koning over Zijn Kerk van God.

Alle souvereiniteit, alle recht om gezag te oefenen, daalt van God af zoowel op de aardsche koningen als op Jezus, den Koning der Kérk.

Sluiten