Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WARE EN VALSCHE ZELFONTWIKKELING

133

Als de uiterste tegenstelling van den plicht tot zelfbewaring, handelden wij in het vorige hoofdstuk over den zelfmoord.

Thans dient nog wat dieper ingegaan op den ons van God geboden plicht tot zelfontwikkeling, welke reeds ter sprake kwam op het einde van het tweede hoofdstuk over dit gebod, en ook daarbij zal dan weer als het negatieve tegenover het positieve, als de schaduw tegenover het licht, worden gesproken over hetgeen tegen dezen ons van God geboden plicht tot zelfontwikkeling ingaat.

* * *

„Ontwikkeling" is een organisch begrip.

Wat wij daarmee bedoelen, is dat alleen organismen of levende wezens, zooals planten, dieren en menschen, zich ontwikkelen.

Bij hen alleen toch kan men spreken van wasdom of groei; van een zich ont- of loswikkelen van wat in aanleg of kiem gegeven is; van een toenemen, doordat het van binnen-uit wat eerst van buiten-af is aan zich assimileert of aan zich gelijk maakt.

Op deze wijze ontwikkelt zich een eikel tot een eik; een in de aarde gezaaid graan tot een halm met zijn aar en korrel.

Wijl alle ontwikkeling teven is en God in den meest volstrekten zin de bron is van het leven, zoo is bij alle ontwikkeling de mensch slechts tweede oorzaak. Ook hier geldt in het algemeen wat de apostel Paulus slechts op een bijzonder geval toepast: „Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven" (1 Corinthe 3 : 6).

Wij, menschen, kunnen niets meer doen dan de ontwikkeling bevorderen of ook tegengaan, maar de wasdom, de ontwikkeling zelf is uitsluitend een gave van God.

*

Dit alles nu geldt niet alleen van eikels en graankorrels, maar ook van den mensch en wel in heel zijn bestaan; in de ongedeelde eenheid van zijn lichamelijk-geestelijk leven.

Toch is er verschil. Een verschil, dat de zonde maakt.

Al heeft de mensch door de zonde niet verloren zijn wezen; al is hij mensch gebleven, zijn natuur is door de zonde verdorven.

De ontwikkeling van wat in hem, zoo naar lichaam als ziel, in aanleg of kiem gegeven is, sloeg om in haar tegendeel, d. w. z. loopt door en loopt uit op, in stee van het eeuwige leven of gemeenschap met God, het verderf en den dood of de scheiding van God; op het hoogste kwaad alzoo, in stee van op het hoogste goed.

Voor het lichaam komt dit reeds uit in allerlei ellende van gebrek, ziekte, kwaal en dood of scheiding van lichaam en ziel; en zal het eens uitkomen in de onzalige opstanding.

Voor de ziel komt dit reeds uit in allerlei booze neiging, in leugen en dwaling, ongerechtigheid en goddeloosheid, ongeloof en haat; in allerlei afwijkingen en krankheden van de werkingen in het zieleleven, en zal het eens uitkomen in den eeuwigen dood of de volstrekte scheiding van God.

Sluiten