Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

134

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET MENSCHELIJK LEVEN

Dan, al staat het zoo, dat bij den mensch de ontwikkeling düs in haar tegendeel omsloeg, dat zij niet alleen mist wat zij moest zijn om voor God recht te wezen, maar ook, wijl zij ontwikkeling is, altijd door werkt naar een doel dat thans de dood en het verderf is, — toch blijft God van den mensch eischen, en is het daarom 's menschen plicht ten opzichte van zich zelf, zich op normale, <Li. door God gewilde wijze, en met het oog op zijn bestemming: het hoogste goed, de gemeenschap met God, te ontwikkelen.

En God doet ook daarin den mensch geen onrecht.

Want Hij schiep hem goed.

En dat de mensch boos en verkeerd werd, is zijn en niet Gods schuld. Nu heeft God in Zijn gemeene Gratie wel allerlei middelen geschonken om de doorwerking der zonde en daarmede de verkeerde ontwikkeling te temperen en te stuiten, doch ook zoo eindigt zij nog altijd in verderf en dood. Anders wordt dit eerst door een van 's menschen doen volstrekt onafhankelijke en daarom vrijmachtige daad van God, een daad van particuliere of bijzondere Genade; particulier, omdat zij niet algemeen is, niet aan alle menschen hoofd voor hoofd, maar slechts aan de uitverkorenen wordt bewezen.

Bij deze daad van God is nu te onderscheiden tusschen wat Hij door Christus voor en in den mensch doet; tusschen de rechtvaardiging, waardoor de mensch afkomt van zijn schuld en hersteld wordt in gunst, en de heiliging, waardoor in hem wordt omgezet al wat anders op verderf en dood uitloopt, waardoor in hem tot stand komt „die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden en levendmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt." (Zie Leerregels van Dordt, hoofdst III en IV, § 12.)

Kunnen wij, menschen, gelijk boven reeds is gezegd, niets meer doen dan ontwikkeling in het algemeen bevorderen of tegengaan, maar is de ontwikkeling zelf, omdat zij leven is, uitsluitend een werk Gods — zoo geldt dit ook van onze zelfontwikkeling.

Tenzij God ons „omzet" in het innerlijkste van ons wezen, loopt onze ontwikkeling verkeerd, en wel zóó, dat zij uitkomt bij het eeuwig verderf; en eerst waar God ons dus omgezet heeft, kan er van een zelfontwikkeling sprake zijn.

* *

Valt deze „omzetting" in ons innerlijk wezen saam met wat men in enger zin als „wedergeboorte" aanduidt, de zelfontwikkeling, de Christelijke zelfontwikkeling, is dan het bevorderen van het in de wedergeboorte ontvangen nieuwe leven en het bestrijden van wat daar zoo in als om ons tegen ingaat.

Wijl alzoo eerst bij den wedergeborene van een normale zelfontwikkeling sprake kan zijn, doch de wedergeboorte niet een daad van den mensch, maar uitsluitend een werk Gods is, en wijl verder de wedergeboorte slechts plaats grijpt „in de gemeenschap des lichaams van Christus", d. i. van Zijn mystiek lichaam, zoo komt voor den plicht tot

Sluiten