Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET MENSCHELIJK LEVEN

als lid van de saamleving, daarin gebiedt met betrekking tot het leven van uw naasten en hoe gij naar Zijn wil daaromtrent zult willen en handelen.

Wat nu de Heere u in het zesde gebod in betrekking tot het leven van uw naasten gebiedt, kan uiteraard niet anders zijn, dan wat Hij u in betrekking tot uw eigen leven gebiedt en wat wij in de vorige hoofdstukken leerden kennen als den eisch om het te achten, te bewaren, te ontwikkelen, of te bevorderen. Tegenover dit alles toch staat als verbod: om door doodslag of moord, als de uiterste gradatie van de tot daad geworden zonde, 'n menschelijk leven opzettelijk te verbreken.

* * *

Wie nu de Wet des Heeren of Tien geboden geestelijk verstaat en dus niet maar bij de letter blijft staan, weet ook, dat ieder gebod veel dieper gaat dan tot de uitwendige daad, dan tot de voor menschen waarneembare handeling; weet, dat zij zich óók richten tot onzen wil, ja zelfs nog dieper, tot wat achter onzen wil ligt.

* *

De wil nu is het vermogen tot met redelijk inzicht verbonden begeeren.

Hangt dit begeeren, wijl met redelijk of verstandelijk kennen verbonden, saam met het gebruik van ons verstand, dan volgt, dat men bij kinderen eerst van „willen" kan spreken, wanneer zij, gelijk in ons Formulier voor den Kinderdoop staat: „tot hun verstand zullen gekomen zijn"; als het zelfbewustzijn en daarmee de zelfbepaling ontwaakt.

Omdat onder de schepselen alleen engelen en menschen een wil hebben en dus kunnen willen, spreekt men van hen als van zedelijke wezens.

Met dit „zedelijke" wordt dan niets meer bedoeld dan de vrijheid tegenover de natuurnoodwendigheid. In dien zin is b.v. zoowel Satan als Gabriël, zoowel Nero als Paulus een zedelijk wezen, en zijn daarentegen planten en dieren, omdat zij geen wil hebben, m'ef-zedelijke wezens.

Bij het willen nu onderscheidt men, gelijk wij reeds vroeger zagen, de werking van den wil naar buiten en naar binnen.

Bij het eerste denkt men dan aan het willen dat zich richt op onze buitenwereld en waaruit dan het handelen — wij spreken van een „wilshandeling" — als zijn vrucht opkomt; bij het tweede: „het willen naar binnen", denkt men daarentegen aan het willen, dat zich richt op wat in onze ziel gebeurt, op ons waarnemen en voorstellen en denken, op ons streven en begeeren, en ook op onze aandoeningen of affecten.

De wil nu, als het vermogen tot met redelijk inzicht verbonden begeeren, moet heerschen; heerschen, contróle of opzicht houden, zoowel over onze handelingen als over al wat in onze ziel gebeurt.

* *

Sluiten