Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAASTENLIEFDE

145

En zoo ergens in de Schrift, dan wordt ons dat geleerd door Paulus in 1 Corinthe 13.

De echte, de heilige naastenliefde wordt daar door den Apostel gepersonifieerd, d. i. voorgesteld als een persoon. Hij teekent ons in 1 Cor. 13 een karakterbeeld van de liefde, waarin hij doet uitkomen haar stichtende, Ai. opbouwende kracht. In h. 8 : 1 toch had hij geschreven: de liefde sticht. Juist het omgekeerde alzoo van den haat, die afbreekt, neerwerpt, scheiding maakt. En in dit karakterbeeld met zijn vijftien toetsen of trekken van de liefde, vers 4—7, wordt dan gezegd, eerst wat zij is of doet, dan wat zij niet is of doet, en eindelijk weer wat zij is of doet.

De liefde is lankmoedig; zij is goedertieren; — de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen; zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zich zelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid; — maar zij verblijdt zich in de waarheid; zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

Zoo is de heilige liefde, de Christelijke naastenliefde.

Met deze liefde moet een mensch liefhebben zijn naasten.

* *

Bezien wij deze karakteristiek van de Christelijke naastenliefde trek voor trek.

Wij zullen dan verstaan, dat wat b.v. onze Heidelberger Catechismus bij de verklaring van het zesde gebod, in zijn 107de antwoord opsomt, als: „geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid", slechts enkele verschillende trekken zijn van de ééne tot deugd of tot wil geworden heilige liefde; en dat in den eenen plicht om onze naasten lief te hebben, al de trekken van het beeld der liefde, dat de Apostel ons teekent als gezindheid, de eischen gesteld worden, waaraan de hoedanigheid, de wijze van ons willen en daaruit opkomend handelen moet beantwoorden, om voor God goed te zijn.

* * *

Zegt de Apostel ons, dat de liefde lankmoedig is, hij bedoelt, dat zij den toorn als heftige gemoedsbeweging, gewekt door allerlei krenkingen, beheerscht, terugdringt Deze lankmoedigheid is echter evenmin Stoïcü»* sche onaandoenlijkheid als de natuurlijke bedaardheid van den flegmatieken mensch, en evenmin is zij de hoogmoedigheid van den mensch, die zich zoo verheven acht boven zijn omgeving, dat hij het beneden zich acht zich over de krenkingen die zij hem aandoet, boos te maken. De liefde voelt fijn en voelt pijn, zelfs de speldeprikken; maar zij bedwingt den opkomenden toorn. De mensch, die liefheeft, wil beheerschen zijn toorn, als zijn naaste hèm krenkt.

De Apostel noemt de liefde goedertieren. In het oorspronkelijke staat een woord, dat afgeleid is van een ander woord, dat nattig, bruikbaar, goed in zijn soort beteekent Van personen gebezigd, gelijk hier van

Ordinantiën IV 10

Sluiten