Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET MENSCHELIJK LEVEN

landen anders is; hoe het in Oostenrijk en ook in Zwitserland strafbaar wordt gesteld; hoe het Engelsche recht vloeken met geldstraf bedreigt; en zeer uitvoerig staat hij dan stil bij § 166 van het Duitsche strafwetboek: „Erregung eines Aergernisses durch öffentliche und in beschimpfehden Aeusserungen erfolgte Lasterung Gottes", waarop een gevangenisstraf van zes maanden is gesteld.

Naar de meening van den geachtén schrijver is het ontbreken van een strafbepaling in ons wetboek niet te verdedigen.

En voor deze zij» meening voert hij het, ook naar ons inzien, niet te weerleggen argument aan, dat, waar ons wetboek van strafrecht tegen de aanranding van de eer en goeden naam van menschen beschermt, dit a fortiori het geval behoort te zijn, zoo' het den persoon van God en Zijne eere betreft.

Godslastering toch is, afgezien nog van de omstandigheid of zij ergernis geeft, een zonde rechtstreeks tegen God.

Mr. Gewin schrijft dan ook op het einde van zijn betoog deze, naar het ons voorkomt,iniet onjuiste woorden: „Voor zoover Gods Naam in de binnenkamer wordt gelasterd, kan de Overheid zich hiermede niet inlaten, als behoorende het privaat terrein niet tot hare competentie. Evenmin heeft de Overheid zich met de zedelijke motieven, die tot het vergrijp leiden, te bemoeien. Zoodra de godslastering zich evenwel openbaart op haar erf, d. i. het publiek terrein, m.a.w. wanneer de lastering opentijk geschiedt, zoo heeft de Overheid er in haar wetboek van strafrecht straf op te stellen."

* * *

Wat nu betreft den plicht der Overheid om te waken voor, te beschermen de rechte» harer onderdanen, hebben wij ons hier bij het zesde gebod alleen te bepalen bij het recht op leven en vrijheid.

De Overheid heeft tegen onbevoegd ingrijpen in het recht op hun leven en vrijheid hare onderdanen te beschermen.

Als zoodanig is zij Gods dienares; een gave van Zijn gemeene Gratie, waardoor het onrecht weerstaan, de ongebondenheid der menschen bedwongen wordt.

Zij, de Overheid, schrift de Apostel, is Gods dienares, « ten goede.

Want juist de bescherming en de zekerheid in betrekking tot uw leven en vrijheid, tot uw goed en uw eer; een zekerheid, noodig tot de vervulling van uw levenstaak en welke de Overheid u biedt tegenover wie zich aan uw leven en vrijheid, uw goed of uw eer zou willen vergrijpen, — is, wat u door haar van uw God ten goede komt.

En daaraan voegt de Apostel dan toe: „Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs: want zij is Gods dienares, eene wreekster tot straf dengene, die kwaad doet" (Romeinen 13 : 4). En daarin spreekt hij uit, dat diezelfde Overheid, die u van Godswege, ten goede kan zijn, u ook, en dat evenzeer van Godswege, ten kwade kan worden;

Indien gij kwaad doet; indien gij u vergrijpt aan het Recht; dèn hebt gij te vreezen.

Sluiten