Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE KUISCHHEID

zonder losgeld heengaan. Ook wordt de polygamie en de polygenie beperkt in de wet op het koningschap door de bepaling, dat de koning „voor zich de vrouwen niet zal vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke" (Deuteronomium 17 : 17). Eindelijk trachtte de Wet opvoedend te werken door haar bepalingen tegen bloedschande en hoererij en haar beperking van de echtscheiding. Voegen wij hieraan toe, dat de Wet, ook in haar ruimeren zin van „onderwijzing", door te verhalen van de ellende, die de polygamie en polygenie in de gezinnen der patriarchen veroorzaakte; door te verhalen, zoo van de schepping der ééne vrouw voor den man, hem tot een hulpe, als van de scheppingsordinantie: „en zij zullen tot één vleesch zijn," — kennelijk op de monogamie als wat zijn moet heenwijst.

*

En wanneer nu, met name bij de profeten, telkens weer de verbondsbetrekking tusschen Jehova en Israël werd voorgesteld als een huwelijksverbond en daarbij de afgoderij als een boeleeren, — moest daardoor de gedachte aan het huwelijk van één man met één vrouw; de gedachte aan de monogamie, als den eenigen rechtsgeldigen vorm van het huwelijk, al meer ingedragen worden in het bewustzijn van Israël. Metterdaad zien wij dan ook, dat na de ballingschap, en althans in de dagen toen Christus optrad, de monogamie in Israël heerschende zede was.

De scheppingsordinantie werd weer nageleefd.

*

Geestelijk verstaan, bedoelt het zevende gebod alzoo metterdaad, dat het door God bij de schepping ingestelde huwelijk van één man met één vrouw, noch door den man, noch door de vrouw tnag gebroken. Hierin gaat echter de geestelijke zin van dit gebod allerminst op. Ook in het zevende toch wordt, evenals bij het zesde, dat den moord verbiedt, slechts de uiterste gradatie van een bepaalden vorm der zonde genoemd, doch tevens bedoeld al wat daarachter ligt. En te recht is dan ook naar Christelijke zedeleer het zevende gebod verstaan als het verbod tegen de onkuischheid.

Wie het düs verstaat, zal, gehuwd of niet-gehuwd, ook met het oog op dit gebod, met den rijken jongeling van Gods geboden niet durven zeggen: „Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan." Eer zal hij, ook waar hij voor een zoo schrikkelijke zonde als echtbreuk bewaard bleef, tegenover den man of de vrouw, die in deze zonde viel, een zelfveroordeeling over eigen onkuischheid gewaarworden. Het zal hem gaan gelijk de Schriftgeleerden en Farizeën, die, naar het bekende verhaal uit Johannes' Evangelie, „van hun geweten overtuigd zijnde", heengingen, toen Jezus tot hen had gezegd: „Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar" (Joh. 8 : 7); op haar, die zwaar gezondigd had; op de vrouw, tot wie Jezus toen ook zeide: „Ga heen, en zondig niet meer."

Sluiten