Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten-echtelijke en echtelijke onkuischheid

217

Vooral voor 'n meisje Is het een schok in haar zedelijke levensontwikkeling. Zeker, de verloving moet dienen om elkander nader te leeren kennen; maar om zich zelf het smartelijke, het krenkende van een verbroken verloving te besparen, zij men uiterst voorzichtig met het aangaan van, hoede men zich voor overijlde verloving.

*

Naar wat zijn moet, mag de verloving alleen eindigen in het huwelijk, in den echt.

Onder echt verstaat men de wettige, op wedërzijdsche toestemming berustende, onlosmakelijke verbintenis van één man en één vrouw, aangegaan tot voortplanting van het geslacht en tot wederzijdschen bijstand en hulp in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren.

Wijl bij deze verbintenis zoowel de twee familiën, die van den man en die der vrouw, als de Overheid en de Kerk haar belangen hebben, komt aan alle drie daarbij zeker zeggenschap toe. Wij hopen in bet volgende hoofdstuk hierover nader te handelen.

Over de wedërzijdsche hulp en bijstand der echtgenooten is, evenals over de plichten der ouders jegens hunne kinderen, reeds gesproken bij de behandeling van het vijfde gebod.

Hier, bij het zevende, dient alleen gewezen op de kuischheid ook in het huwelijk. Deze toch eischt, wijl in het huwelijk man en vrouw elkander naar lichaam èn ziel toebehooren, niet slechts de onderlinge trouw, maar ook, dat men de achting, die men elkander als mensch verplicht is, beware.

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat, wijl het huwelijk slechts een verbintenis voor dit leven is, tegen het aangaan van een tweede huwelijk, na het sterven van een der partijen, op zich zelf geen zedelijke bezwaren kunnen bestaan.

IV.

BUITEN-ECHTELIJKE EN ECHTELIJKE ONKUISCHHEID.

Een man, die zijnen geest niet wederhouden kan, is eene opengebrokene stad zonder muur.

Spreuken 25 :28.

In dit slothoofdstuk over het zevende gebod zullen wij, evenals bij de vorige geboden, op de schaduw- tegenover de lichtzijde, op het verbod tegenover het gebod wijzen.

Alzoo, nadat in het vorige hoofdstuk gehandeld is van de ons door God geboden kuischheid, zullen wij in dit hoofdstuk spreken over de ons door Hem verboden zonde der onkuischheid. Daarbij zal dan uitkomen, wat schrikkelijke verwoesting in het menschelijk leven deze zonde heeft teweeggebracht; althans tot op zekere hoogte uitkomen,

Sluiten