Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET RECHT VAN BEZIT

229

Zeer juist merkt dan ook Calvijn in zijn verklaring van het achtste gebod op, dat ook hier, naar den regel der Christelijke liefde, gelden moet, dat aan ieder zijn recht ongeschonden moet verblijven en dat niemand aan een ander doen mag wat hij niet wil, dat hèm gedaan worde.

Dit laatste is de, ook vroeger bij de behandeling der geboden door ons vermelde, z.g. gulden regel of „de wet der wederkeerigheid", uitgesproken ook in het bekende woord van den Heiland: „Alle dingen dan» die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo: want dat is de Wet en de Profeten" (Matth. 7 : 12).

Calvijn past dit algemeen zedelijk beginsel toe op de verhouding tot het goed van den naaste, en onze Heidelberger doet dit evenzoo in zijn antwoord op de lilde vraag: „dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzoo handele, als ik wilde, dat men met mO handelde."

Is alzoo verboden alle nalatigheid of onverschilligheid tegenover het goed van den naaste, naar den anderen regel bij de uitlegging der Tien geboden, dat in het verbod het gebod ligt, is geboden, den naaste in het behouden van zijn goed behulpzaam te wezen.

* •

Maar het gebod gaat, geestelijk verstaan, nög dieper. Het heeft niet alleen een sociale beteekenis, d. w. z. eene voor het saamleven met onze medemenschen, maar ook een individueele. Het gaat ook over ons eigen goed.

Ook voor uw eigen goed zijt gij gebonden aan 's Heeren ordinantie. Gij zijt er Hem, Wiens de aarde is, mitsgaders hare volheid (Psalm 24 : 1), rekenschap voor schuldig. Gij moogt er niet alles mee doen, wat gij wilt. Gij moogt het niet misbruiken.

Vandaar, dat vrekheid, waarbij gij het genieten ten offer brengt aan het bezitten, evenzeer als verkwisten, waarbij gij het bezitten ten offer brengt aan het genieten, zonde is; zonde voor God.

En eindelijk, wijl arbeid een der middelen is tot rechtmatig verwerven van goed, ligt in dit gebod ook de plicht tot arbeiden; tot arbeiden in uw beroep, uw heilig beroep.

* *

Spraken wij zooeven van verwerven van goed, onder goed of onder 'n goed verstaan wij — in onderscheiding van het goede, dat altijd een eigenschap van iets aanduidt — alles wat waarde voor ons, menschen, heeft. Het verschil zal nog duidelijker uitkomen, wanneer wij ons herinneren, hoe tegenover het goede — het slechte; tegenover 'n goed — 'n kwaad staat.

Zoo staat ook tegenover het hoogste goed — het hoogste kwaad.

Goed in tegenstelling met slecht, is al wat is of werkt zooals hét moet zijn of werken, om te beantwoorden aan datgene, waartoe het bestemd is. In dien zin nu spreken wij van een goed paard, een goed oog, een

Sluiten