Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

262

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EIGENDOM

middelen al meer saamgebracht; de arbeid wordt al meer gemeenschappelijk; het kapitaal-monopolie komt in al minder handen. Dit is, gelijk heel de geschiedenis der menschheid — welke geschiedenis ten slotte gemaakt wordt door de materieele omstandigheden, waarin de menschheid leeft, — een proces, een langzaam voortschrijden. Ten slotte komt er echter een punt van ontwikkeling, een moment ia dit proces, waarin de keten van het kapitaal-monopolie in de handen van weinigen, barst. Alsdan worden de „expropriateurs expropriirt", d. w. z. „de onteigenaars onteigend". Het gaat dan om de onteigening van enkele usurpators — van enkele weinigen, die al het kapitaal hadden bemachtigd, — door de volksmassa. Dan komt de nieuwe inrichting der maatschappij.

* * *

Langs democratischen weg, d. i. doordat het volk, tot de heerschappij gekomen, de kapitalisten onteigend heeft, zijn dan alle productie-middelen, en daaronder ook grond en bodem, gemeenschappelijk eigendom geworden. Verder zal dan de Staat den arbeid op democratische wijze hebben georganiseerd, en wel zóó, dat de vrije arbeiders in coöperatie of „samenwerking" de arbeidsmiddelen gemeenschappelijk gebruikenj'fin eindelijk zal dan ook de opbrengst van den arbeid het gezamenlijke product der gemeenschap zijn. Een deel van dit product wordt dan gebruikt tot nieuwe productie. Een ander deel, slechts bestemd tot genieting, komt tot verdeeling en wordt dan privaat-eigendom. Bij deze verdeeling zal in de eerste tijden van den sociaal-democratischen staat nog de arbeid, dien men geleverd heeft, den grondslag vormen. Tegen het bewijs, dat men zooveel uren gearbeid heeft, ontvangt men uit den gemeenschappelijken voorraad gebruiks-middelen even zooveel als de arbeid waard is; doch later komt er een andere grondslag voor de verdeeling. Arbeid toch zal dan niet slechts middel zijn om te leven, maar een eerste behoefte voor het leven. En terwijl aanvankelijk in de vernieuwde maatschappij nog slechts enkelen geestesarbeid konden verrichten en de meesten alleen handenarbeid, ie ook dit nu anders geworden. En zoo zal dan in de tweede ontwikkelingsperiode van den sociaal-democratischen staat ieder ontvangen, niet meer naar den arbeid dien hij heeft geleverd, maar slechts naar zijn behoefte.

• *

Hiermede is onze beschrijving van de Sociaal-democratie, aangevangen in het vorige hoofdstuk, na die van het Communisme, voltooid.

Wij hebben de twee leerstellingen van dat systeem van wereld- en levensbeschouwing: de materialistische opvatting der geschiedenis en de theorie der meerwaarde, leeren kennen.

Metterdaad hebben wij hier te doen met een leering, die, vreemd als zij voor velen is, nader onderzoek en beoordeeling eischt. Met name de theorie der meerwaarde is wel in staat om indruk te maken: den indruk, dat de tegenwoordige kapitalistische bedrijfswijze kortweg op diefstal

Sluiten