Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EIGENDOM

Wij herhalen nog eens, het besef van het mijn en dijn is, evenals dat van het ik en gij, een ingeschapen besef, en tot vervulling van zijn taak hier op aarde heeft de mensch, hoe gering dan ook, individueel eigendom noodig.

• * *

Een beroep op het „communisme" der Jeruzalemsche gemeente kan hier niet gelden.

Afgezien nog van de eigenaardige omstandigheden, waarin deze kring van geloovigen, zoo kort na den eersten Pinksterdag, verkeerde; en ook van het vrijwillig karakter, dat de verkoop der eigendommen ten behoeve der broederen droeg; van den gemeenschapszin, als vrucht der heilige liefde, waarmee men met zijn goederen de geloofsgenooten bijstond, zoodat er niemand onder hen was, die gebrek had (Hand. 2 : 44 en 45; 4 : 32 en 35); moet men wel in het oog houden, dat bij dit communisme de privaat-eigendoat niet afgeschaft was. Dit toch bKjkt duidelijk uit het woord van Petrus tot Ananias, in zake den verkoop van diens bezitting: „Zoo het gebleven ware, bleef het niet uwe? en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? (Hand. 5 : 4) en evenzoo uit het bericht in h. 12 : 12 omtrent het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus. Bovendien weten wij uit de brieven aan Corinthe (1 h. 16 : 1—3 en 2 h. 8 en 9), dat na eenige jaren Paulus, voor de Jeruzalemsche gemeente, onder de heiden-Ohtistenen een collecte moest houden. Alles saamgenomen, was allerminst in deze gemeenschap alle privaat-eigendom uitgesloten; maar ook de eerste aanloop van het enthusiasme, van de geestdrift, stuitte na eenige jaren, toen de gemeenschap in omvang was toegenomen, af op de eischen des natuurlijken levens.

* * *

En evenmin als een beroep op de Jeruzalemsche gemeente, geldt voor het Communisme een beroep op het monnikendom, zoo in de Christelijke als buiten-Christelijke wereld. Want al heerscht in de religieuze gemeenschappen, zoo van de Christelijke als Buddhistische kloosterorden, ook de gemeenschap van goederen en sluit de vrijwillige armoede daar allen privaat-eigendom uit, men vergete niet, dat in deze kringen dan gebroken is met de „wereld" in den zin van het natuurlijke, en bovenal vergete men niet, dat monniken niet trouwen en dus voor hen, wijl zij niet voor den „broodkorf" voor het gezin hebben te zorgen, de behoefte aan privaat-eigendom, zonder welken het gezinsleven onbestaanbaar is, niet bestaat.

Het is daarom, dat de gemeenschappen van monniken of nonnen niet kunnen gelden als een instantie of tegenwerping tegen het Onbestaanbare, wijl met de eischen des natuurlijken levens strijdende, eener maatschappij met uitsluitend communaal bezit. En de ervaring leerde dan ook, dat alle pogingen om dergelijke maatschappijen op eenigszins groote schaal te willen inrichten, vroeg of laat mislukken. De goederen-gemeenschap der Wederdoopers in Munster, de communistische maatschappij New-

Sluiten