Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

298

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EIGENDOM

Bij al deze vier genoemde theorieën over den eigendom — de contract*-, legaal-, arbeids- en persoonlijkheidstheorie — bleek ons, dat zij onvoldoende zijn als grond voor het eigendomsrecht, en mitsdien onjuist

Wij komen thans tot een vijfde theorie, die, naar het ons voorkomt, de alleen juiste is.

Wordt in alle vier reeds besproken theorieën over den eigendom niet gerekend met Qod, Zijn wit Zijn ordinantie, anders is dit in die theorie of beschouwing over den eigendom, welke wij hier, als de eenig juiste, op het oog hebben.

Gelijk voor ons alle recht is gegrond in God, in Zijn souvereinen wil, zoo ook het eigendomsrecht.

Het eigendomsrecht is ons een ordinantie des Heeren; een ordinantie der zedelijke wereldorde, welke de mensch wel kèn overtreden, maar die door den Heere wordt gehandhaafd.

Het recht, en dus ook het eigendomsrecht, bestaat onafhankelijk van het goedvinden der menschen, en is dus geen vrucht van een menschelijke overeenkomst. Het is eerder, wijl, eeuwig, dan de wetten die de menschen maken, en is dus evenmin eerst ontstaan met de wetgeving van den Staat.

Wat recht is, hebben niet de menschen, maar heeft God vastgesteld en aan de menschen geopenbaard

Geopenbaard in de Schriftuur, maar ook in de natuur. En al wat altijd en overal, in alle eeuwen en onder alle volkeren, ook zonder dat het in de menschelijke wetten is voorgeschreven, als recht wordt erkend, behoort tot dat „recht der natuur", dat in de harten der menschen is ingeschreven.

Dit nu geldt ook van het eigendomsrecht

* *

Wij hebben reeds vroeger gezien, hoe de Schrift het eigendomsrecht van den mensch op het aardsche goed leert; hoe ook de Heere Jezus dit recht handhaafde.

Wij zagen toen tevens, dat daarbij het woord van Psalm 24 : 1: „De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid," — de grondgedachte is.

Hoewel de mensch eigendom op het aardsche goed hebben kan, zoo is dit recht, volgens de Schrift, toch altijd van God af te leiden. Hij, God de Heere, is, omdat Hij de Schepper is, ook de volstrekte Heer, de absolute Eigenaar van het aardsche goed. Hij, de Opperheer, is ook de Oppereigenaar en heeft mitsdien over alle goederen vrijmachtig te beschikken. Tegenover Hem is de mensch dan ook slechts rentmeester van het aardsche goed; aan Hem, zijn God, voor het beheer er van verantwoordelijk.

Het gaat dan ook niet aan, bij den menschelijken eigendom in eigenlijken zin van een absolute, een volstrekte, een vrijmachtige beschikking te spreken. Waar rechten zijn, daar zijn ook plichten, en het eigendomsrecht wordt den mensch door God verleend als een noodzakelijk middel tot vervulling van zijn plichten.

Een mensch mag niet met zijn goed alles doen wat hij wil. Of liever

Sluiten