Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERVEN

305

Staat verleend recht, daarom ia het nog niet absoluut en is mitsdien zijn uitoefening aan Goddelijke en menschelijke wetten gebonden.

En dan is het bij de organische eenheid van het gezin zeker de wil des Heeren, dat de eigenaar, waar hij bij uitersten wil over zijn goed beschikt, daarbij rekene met zijn verplichtingen jegens zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn kinderen; jegens hen van wie hij het leven heeft ontvangen, aan wie hij het heeftMgegeven, met wie hij het heeft gedeeld. Dat ouders erven het goed van hun kinderen, die zelf ongehuwd wegsterven; dat de langstlevende echtgenoot erft van hem of haar die voorging, is daarom evenzeer goed-zedelijk als dat, naar het bekende Schriftwoord: „de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen", (2 Cor. 12 : 14), — kinderen een erfdeel van hun ouders ontvangen. En verder volgt uit de organische eenheid niet alleen van het gezin, maar ook van het geslacht, dat ook zij, die met den eigenaar in verdere bloedverwantschap dan die van ouders en kinderen staan, van hem erven.

En eindelijk, wijl naar Gods wil het eigendom zeker allereerst zijn eigenaar; dan diens familie; en eindelijk ook de maatschappij waarin hij leeft, na zijn overlijden moet dienen, — is het evenzeer zedeiijk-goed, dat hij bij zijn leven ook zulke beschikkingen maakt, waarbij aan anderen dan zijn erfgenamen, aan personen of vereenigingen, met welke hij in bijzondere relatie staat of die de sympathie van zijn hart hebben, 'n deel van zijn eigendom wordt vermaakt; het z.g. legaat.

Ware nu het leven niet zoo rijk geschakeerd als het is, zoodat er, om bij ons onderwerp te blijven, onder de eigenaars eens niet waren gelijk thans: ongehuwde en gehuwde; kinderlooze en met kinderen gezegende; loten uit een geslacht met vele en met weinige takken of staken en zelfs laatste loten van een uitstervend geslacht; en er ook onder de eigenaren eens niet waren gelijk thans: menschen met een zwakken en met een sterken gemeenschapszin, — het recht van erflating zou in de practijk niet zoo onderscheiden zijn.

Maar daarbij komt nog iets, en ook dit maakt nadere regelingen door de Overheid noodig, — het vaak óók door passie en hartstocht verkeerd willen der menschen op het stuk van wat, na hun dood, met hun goed zal geschieden, moet tegengegaan, ter bescherming van de rechten van anderen.

Van deze taak hebben de Overheden in alle beschaafde landen zich dan ook in haar burgerlijke wetgevingen gekweten.

Daarbij heeft de Overheid zich echter voor twee uitersten te wachten, waarvoor zij zich niet altijd gewacht heeft Zij mag het recht van erflating niet geheel vrij laten; maar zij mag het ook niet te eng beperken.

Het laatste nu heeft de Fransche wetgeving onder invloed van Napoleon gedaan, en dit ging uit haar ook in de onze over.

Vooral komt dit uit bij de „legitieme portie" of het wettelijk erfdeel, dat den bij de wet geroepenen erfgenamen in de rechte linie wordt toegekend. Naarmate iemand meer kinderen heeft, wordt het deel van

Ordinantiën IV 20

Sluiten