Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

306

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EIGENDOM

zijn goed, waarover hij mag beschikken, al kleiner. Wanneer hij toch drie of meer achterlaat, bedraagt dit slechts een vierde.

*

Nu heeft de Overheid zeker het recht om kinderen tegenover ouders, welke hun plichten jegens hen verzuimen, in bescherming te nemen. Evenwel hebben ouders ook plichten tegenover anderen.

Wij denken hier ook aan de plichten tegenover kerk en maatschappij. De kerkelijke goederen; de kapitalen, waarover stichtingen van barmhartigheid, waarover stichtingen van kunst, zooals musea, hebben te beschikken, danken voor een goed deel hun ontstaan aan beschikkingen der vroegere geslachten. Ook thans, nu ten onzent, bij de vernieuUKle ontwaking van het sociaal besef, van het particulier initiatief, de vrije corporaties weer opkwamen — men denke aan onze instellingen voor blinden en dooven; voor weezen en ouden van dagen; voor krankzinnigen en idioten; voor gevallenen en verwaarloosden; voor zenuwlijders en andere zieken; en ook aan onze vrije scholen — hebben deze instellingen niet minder dan onze vrije kerken behoefte aan geld. Zeker moet dit geld ook uit andere bronnen worden gevonden, maar wetend van de financieele bezwaren, waarmede zeer verreweg de meeste dezer instituten voortdurend te kampen hebben — en wie weet dèt niet? — zal men het legaat of de bijzóndere beschikking, niet minder dan in vroeger tijd, ook in den onzen, voor een zeer gewenschte bron houden. Maar deze bron is, door de al te groote inperking van het recht van erflating, ook ten onzent, zoo al niet afgesloten, dan toch zoo verstopt, dat zij niet dan spaarzamelijk vloeit.

* *

Een Gereformeerde, om nu maar bij onzen eigen kring te blijven, leeft ook kerkelijk en sociaal en politiek mee. Wie onder ons geen proletariër is, maar behalve zijn proles, zijn „kroost", ook vermogen bezit, zal zich in zijn consciëntie gedrongen voelen, een deel van dat vermogen na te laten aan zijn kerk, voor wat zij noodig heeft voor haar eeredienst, haar dienst van barmhartigheid, haar zending; na te laten ook aan onze lagere en hoogere scholen met den Bijbel; en zoo ook aan onze instellingen, die, uit het Christelijk medegevoel met menschelijke ellende geboren, die ellende trachten te lenigen, te verhelpen.

Nu is onder ons de gehuwde staat regel en de ongehuwde uitzondering, en zoo ook regel de groote en uitzondering de kleine gezinnen, die met minder dan drie kinderen.

In den regel zal dus hij, die onder ons vermogen bezit, slechts voor één vierde daarvan ten behoeve van al het zooeven genoemde kunnen beschikken.

Gevolg daarvan is, dat ook bij betrekkelijk groote vermogens de legaten relatief karig moeten zijn, terwijl toch de erfgenamen vaak zonder veel bezwaar ook met wat minder hadden toegekund.

Dit is, vooral wanneer men bedenkt wat er, zooals het in de volkstaal

Sluiten