Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des naasten eigendom

331

In het besef onzer afhankelijkheid van God ook in het verwerven en bewaren van de voor ons levensonderhoud noodige goederen; noodig ook voor ons dienen van Hem; zal aan het arbeiden zich steeds paren het bidden tot Onzen Vader: Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, — opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uwe gaven, zonder Uwen zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen" (H. C. antw. op vr. 125).

XV.

DES NAASTEN EIGENDOM.

En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. ■

Lukas 6 : 31.

Na in het laatste gedeelte van het vorige hoofdstuk te hebben bezien, wat het achtste gebod ons oplegt in betrekking tot ons eigendom, hebben wij dit thans te doen voor wat dat gebod ons oplegt in betrekking tot des naasten eigendom.

Ons rest dan nog, ook hier, evenals bij de bespreking der andere geboden, de schaduw- tegenover de licht-zijde, het verbod tegenover het gebod te bezien, en dat weer zoo in betrekking tot ons, als tot vreemd eigendom.

Eerst dan alzoo, wat het achtste gebod als 's Heeren ordinantie, als Gods geopenbaarde wil voor ons willen en handelen, in betrekking tot des naasten eigendom ons oplegt.

*

Onze naaste is in den ruimsten zin wel onze medemensch, maar in enger zin ieder mensch, dien God naast ons zet, en dat kan dan zijn onze bloedverwant, onze huisgenoot, onze volks- en onze geloofsgenoot, maar dat kan ook zijn een, die van dat alles niets is. Wij doen dan ook beter met niet te vragen: „Wie is mijn naaste?" maar eer, zooals ons Jezus, in Zijn woord uit de gelijkenis van den Samaritaan: „Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?" (Lukas 10 : 36) — dat geleerd heeft, te vragen: „Wiens naaste ben ik?" Wie mijn naaste is, toch hangt er van af, wien God op een gegeven oogenblik naast mij zet; wiens naaste ik dan ben.

Sluiten