Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDIGEN IN BETREKKING TOT ONS EIGENDOM

341

niet aller is. Vandaar, dat men, om het spel van het gezellig verkeer op gang te houden, het ook andere vormen geeft. Men neemt dan zijn toevlucht tot de kunst; tot zingen en musiceeren en voordragen, waarbij het, om ook „spel" te blijven, echter niet om het produceeren van een „werk", een kunstwerk, maar om ontspannend bezig-zijn moet te doen wezen. Maar, om kunst zelfs als spel te beoefenen, is er zekere mate van kunstvaardigheid noodig, die ook alweer niet aller is. Bovendien, men moet afwisseling hebben, en zoo komt men er dan ten slotte toe, Zijn toevlucht te nemen tot de gezelschapsspelen in enger zin.

Op zich zelf zit in zulke gezelschapsspelen allerminst kwaad. Het zijn vormen om te spelen het spel van het gezellig verkeer, en het hangt alles maar af van het karakter dezer spelen.

Onze Gereformeerde moralisten maakten dan ook onderscheid tusschen geoorloofde en ongeoorloofde gezelschapsspelen.

Al wat geen hazard- of gelukspel was en waar dus geen sprake van „toeval" bij kon wezen, rekenden zij tot de geoorloofde spelen. Hieronder vallen dus b.v. schaken en dammen, en ook het, in de 17de eeuw in Frankrijk uitgevonden, biljartspel. Een spel, dat op ons biljartspel heel veel lijkt, werd zelfs door niemand minder dan Calvijn te Geneva gespeeld. Bij al zulke spelen komt het dan ook wel degelijk aan op vaardigheid, overleg en berekening.

Op het stuk van de gelukspelen waren echter ook onze Gereformeerde moralisten in hun veroordeeling, op de reeds boven genoemde gronden, onverzettelijk.

En naar Gereformeerde beschouwing valt onder zulke ongeoorloofde spelen dan niet slechts roulette en rouge et nolr, wat aan de publieke „speelbanken" — die eerst bij de wet van 31 Dec. 1872 in Duitschland zijn gesloten — werd gespeeld, maar ook het kaartspel.

* * *

Niet slechts „Puriteinen" als Amesius, maar ook Gereformeerden als Daneau en Taffin, en ook onze Voetius, hebben het kaartspel afgekeurd. En metterdaad valt het onder hazard-spel.

Zeker komt, niet als bij een gewoon dobbelspel, bij het kaartspel alleen het „stom geluk" te pas; er is ook overleg en berekening bij. Maar, of men bij het begin een „goed" dan wel een „slecht" spel in handen krijgt, dat hangt af van het „toeval", en dit reeds maakt het tot een gelukspel.

Is men zich nu als Christen bewust, dat het voor ons toevallige toch niet buiten de Goddelijke determinatie omgaat, dan wordt het nog erger, want dan wordt het een „spelen" met het lot, een misbruiken van het heilige lot.

Afgezien dus nog van het „spelen om geld" — is kaartspel, omdat het hazard is, ongodvruchtig. Wie echter om geld kaartspeelt — en dat wordt waarlijk niet alleen gedaan in gemeene kroegen, maar ook in heel gedistingeerde clubgebouwen en salons —i handelt bovendien onzedelijk, want hij tracht zich op een onrechtmatige wijze eigendom te verwerven; bederft de gezelligheid.

Sluiten