Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

376

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — WAARHEID

van te onthouden, dan een lichtvaardig oordeel uit te spreken. En zelfs waar men gronden heeft voor een ongunstig oordeel, moeten die gronden al zeer gewichtig zijn, zal men rijn oordeel mogen uitspreken. In vele gevallen doet men ook dan beter, te zwijgen. Anderzijds is het plicht, wanneer men „met een oordeel der liefde" het goede van zijn naaste mag denken, dit ook uit te spreken en, waar dan zijn naam of eer in ons bijzijn wordt aangerand, daar kloek en moedig tegen op te komen.

Eindelijk zal een mensch, die liefheeft, van zijn naaste, voor zoover de waarheid toelaat, geen kwaad, maar goed denken.

IV. LIEGEN.

Liegt niet tegen elkander, dewijl gif uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken.

Colossensen 3 : 9.

Wij komen thans tot de sociale beteekenis van het negende gebod, en wel naar zijn negatieve beteekenis, m. a. w. wat God ons in dit gebod verbiedt voor het gemeenschapsleven.

Wat in het: GIJ zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste, naar de letter verboden wordt — het voor den aardschen rechter, desgevraagd, omtrent onzen naaste valsch te getuigen, is reeds In het eerste hoofdstuk over dit gebod besproken en kan dus hier blijven rusten. Alleen zij hier nog eens opgemerkt, dat dit een liegen is, „hetwelk ook de Overheid straft"'.

Wat nu betreft den geestelijken zin van het negende gebod, dan wordt ons biet allereerst verboden het liegen of het tot onzen naaste anders spreken dan wij denken; verder het over onzen naaste anders spreken dan wij denken, en bepaaldelijk het kwaad van hem spreken, waardoor wij zijn naam aanranden; en eindelijk het kwaad van hem denken.

In dit hoofdstuk zullen wij aanvangen met de bespreking van de leugen, terwijl wij in een volgend van de zonden tegen den naam van dan naaste hopen te handelen.

♦ *

*

Onder teugen verstaan wij een met voordacht of opzettelijkheid uitgesproken onwaarheid. Niet alle onwaarheid spreken toch is liegen, en niet alle Uitgesproken onwaarheid een leugen. Wanneer in vroeger eéuw de menschen zelden, dat de aarde stilstaat en de zon zich om haar beweegt, dan was dat wel een onwaarheid, maar geen leugen. Een onwaarheid, omdat het anders is dan zij dachten, omdat de werkelijkheid niet met hun denken in overeenstemming was, m. a.w. een logische onwaarheid; maar toch geen leugen, want hun spreken was in overeenstemming met hun denken, omdat zij spraken naar hun beste weten,

Sluiten