Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

388

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — WAARHEID

de toevlucht genomen, wanneer kinderen vragen gaan doen over het geslachtsleven. Nu is het zeker min wenschelijk, dat jonge kinderen daarvan weten, en als zij, veelal in hun onschuld, dergelijke vragen doen, moet men ze dan ook met een: „dat zal ik je later wel eens vertellen!" afwijzen. Maar dit „later" moet nu ook weer niet te laat komen. Daar is een tijd, waarin ze deze dingen wel mogen en zelfs moeten weten, en dan is het plicht van den vader om zijn jongen, en van de moeder om haar meisje daarmee bekend te maken.

En zelfs tegenover krankzinnigen mag men zich van de noodleugen niet bedienen. Ook zij hebben, althans in hun vrije oogenblikken, recht op ons waarheid-spreken. Komt het zoover, dat de patiënt naar een gesticht moet vervoerd, dan weet men niet, hoeveel schade men aanricht door — wat toch zoo dikwijls geschiedt — hem te beliegen met de voorspiegeling van een pleizierreisje. Psychiaters klagen er over, hoe, bij patiënten, op dergelijke wijze in hun inrichting gebracht, weken en maanden het vertrouwen niet is te herwinnen. Is de patiënt in zijn vrije oogenblikken, als ge nog met hem praten kunt, niet te bewegen zich in behandeling te laten nemen; kunt ge hem zelf niet brengen; dan is er maar één weg en wel deze, dat gij hem door verplegers laat halen. Nimmer moogt ge het lijden van den deerniswaardige nog verzwaren, door hem de smartelijke ervaring te bezorgen van zelfs door zijn huisgenooten belogen en bedrogen te zijn geworden.

* * *

Bleek alzoo, dat de argumenten voor de noodleugen geen steek houden, wij zullen thans nog aanwijzen, hoe ook de Schrift de noodleugen nergens goedkeurt.

De voorstanders van de noodleugen beweren het tegendeel. Zij beroepen zich allereerst op Exodus 1 : 15—21, de geschiedenis der Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua.

Metterdaad wordt ons hier verhaald, dat deze Egyptische vrouwen zich van een noodleugen tegenover Farao hebben bediend (vers 19). Zij vreesden God en verstonden daarom, dat ze Hem meer moesten gehoorzamen dan de menschen, dan zelfs den koning. Zij hebben, vlak tegen het bevel van den koning, de pasgeboren knaapjes der Hebreeuwsche vrouwen niet gedood; maar zij misten den moed, deze Egyptische vrouwen, om den koning te zeggen, dat en waarom zij zijn gebod overtraden. En toen, om zich zelf en de knaapjes, die nog geboren moesten worden, te redden, logen zij er bij den koning op los. In één opzicht maakte deze leugen den toestand nog erger, want nu volgde het koninklijk bevel omtrent het in de rivier doen verdrinken der knaapjes. Dan, nu staat er in vers 20: „Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed," m. a. w.: Hij beloonde ze; en in vers 21: „dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zoo bouwde Hij hare huizen," wat zooveel zeggen wil als dat Hij haar tot stammoeders — en dan niet onwaarschijnlijk van Israëlie-

Sluiten