Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN

En eindelijk staat zedelijk, in den zin dien wij hier bedoelen, ook als geest tegenover natuur. Wij zullen dit nader toelichten.

Is toch de vrijheid, zooals wij haar zooeven beschreven, iets wat onder alle schepselen slechts aan engelen en menschen toekomt, zij hangt saam met wat wij in den mensch en in den engel geest noemen

Wij vonden vroeger, dat zoowel de engel als de menschelijke ziel, niet alleen als on-stoffelijke, met de zinnen niet waar te nemen zelfstandigheid of wezen, geest is, maar dat deze geestelijke wezens ook geest nebben. Bij dit laatste denken wij dan aan het woord uit 1 Cor 2 • 11 • „Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is,'dan de geest des menschen, die in hem is?" Nu is deze geest des menschen die in hem is, niet een tweede zelfstandigheid naast zijn ziel, want zooals vroeger is toegelicht, bestaat de mensch niet uit lichaam ziel en geest, maar tweeledig, uit lichaam en ziel. Doch in zijn ziel die het subject, de grond van zijn levensverrichtingen is, werkt een hem eieen beginsel, dat onmiddellijk uit God is, en het is dit beginsel, dat wii geest noemen. Het is door dien geest, dat de mensch „weet hetgeen des menschen is"; weet heeft, niet slechts van zich zelf als het subject dat leeft, dat werkt en lijdt, en dus bewustzijn heeft; want dit heeft het dier — dat geen geest heeft — ook; maar dat hij weet heeft ook van zich zelf, m. a. w. zelfbewustzijn heeft. Ook een hond heeft er weet van als hij geslagen wordt, als hij honger of dorst heeft. Hij heeft gewaarwording en zelfgevoel. Maar wat de hond, en het dier in het algemeen, niet kan dat vermag de mensch; zich zelf te denken. Over zich zelf denken- zich ze f tot een object, tot een voorwerp van zijn denken te maken en zich zelf daardoor te onderscheiden van al het andere wat in den hemel en op aarde, wat in de wereld is, en dus ook van eigen lichaam en wat in dat lichaam plaats grijpt, en eindelijk zelfs van wat in zijn eisen ziel plaats grijpt.

Wat wij hier bedoelen, laat zich verduidelijken met Spreuken 27 • 19„Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo'o is des menschen hart tegen den mensch." De zin van de spreuk toch is waarschijnlijk: zooals in het water het gelaat zich weerspiegelt zoo weerspiegelt zich het hart van den eenen mensch in dat van een anderen Voor ons komt het hier aan op het eerste lid van deze spreuk Uw eigen gelaat ziet ge niet. Maar loopt ge nu op een zomerdag buiten en komt ge aan een water, aan een beek, en ge tuurt daarin, dan ziet ge ook uw eigen gelaat in die beek. Het water weerspiegelt uw gelaat

Past ge wat de Schrift hier van het „aangezicht" zegt, nu toe op uw „zelf", dan zal u helder worden, wat eigenlijk zelfbewustzijn is De mensch heeft toch niet alleen weet van zich als van het subject wat leeft, wat werkt en lijdt, maar zijn ziel weerspiegelt ook zich zelf" wanneer hij over zich zelf denkt. Hij vindt dan, wat wij noemen-' zijn „ik".

Nu is echter niet, zooals sommigen leeren, de geest het zelfbewustzijn maar de geest, die in ons is, brengt ons tot zelfbewustzijn.

En met dit zelfbewustzijn gaat tevens gepaard, ja, is er onafscheidelijk aan verbonden, wat wij straks beschreven als vrijheid. Deze vrijheid is toch niet anders dan, dat de mensch uit eigen lust en naar eigen besluit

Sluiten