Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

11

En hierin nu ligt een nadere verbijzondering van het zedelijke in zijn tegenstelling met het on-zedelijke.

Gaat toch een mensch, zoo in zijn bestaan als gedrag, tegen de geboden, die God hem in zijn relatie, zijn verhouding tot Hem heeft gesteld, in — dan is en handelt die mensch on-zedehjk; hij is en

handelt zondig. . ....

Wij noemen zulk een mensch dan echter met onzedelijk, maar ongodvruchtig of onvroom.

Een godloochenaar, die desniettemin een zorgzaam vader voor zijn kinderen is, op het stuk van huwelijkstrouw onverdacht, voor zijn medemenschen een toonbeeld van welwillendheid en hulpvaardigheid, en in zaken volkomen vertrouwbaar — zullen wij wel 'n ongodsdienstig, maar niet 'n onzedelijk mensch noemen. In welken zin en in hoeverre zulk een ongodsdienstige dan toch onzedelijk" kan wezen, zullen wij straks zien; thans gaat het alleen maar om de verbijzondering van het on-zedelijke in het ongodsdienstige en het onzedelijke in enger zin.

En van dat onzedelijke in enger zin nu spreken wij, wanneer wi] bedoelen, dat een mensch, zoo in zijn bestaan als gedrag, ingaat tegen de geboden, die God hem in zijn relatie tot de menschenwereld heeft gesteld. Hij zondigt, en dit mag vooral nooit worden vergeten ook dan zeer zeker tegen zijn God, doch niet onmiddellijk, maar doordat hij de ordinantiën van zijn God voor zijn bestaan en gedrag tegenover de menschenwereld, overtreedt. En wij noemen zulk een mensch dan onzedelijk.Onzedelijk in enger zin.

En evenals nu een godloochenaar een „zedelijk" mensch kan wezen, staan wij in de historie van ons geslacht en in wat wij om ons heen zien telkens voor het droeve feit, dat menschen, die wij niet anders dan'tot de vromen, de godsdienstigen kunnen rekenen tegenover hun medemenschen vaak schrikkelijk onzedelijk kunnen handelen. Ook op dit verschijnsel komen wij later terug. Hier is het ons alleen te doen om het feit zelf. En al laten wij nu ook aan de wereld over' het smalen op den bedrieger Jakob, en den overspeler David en den trouweloozen Petrus - die zij juist smaalt, omdat zij van een anderen geest waren dan zij, omdat zij waren van Gods volk - toch mag nooit, ook al kent men door genadelicht den wortel der zonden in zijn eigen hart, dit onzedelijke worden vergoelijkt.

Gereformeerde practijk gaat daar dan ook tegen in. „ Ons Avondmaalsformulier vermaant „van de tafel zich te onthouden niet alleen de ongodsdienstigen, de irreligieuzen, hen die onmiddellijk ïondigen tegen God, maar ook allen, die hun ouders en overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers en die in haat en nijd tegen hunne naasten leven; alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards dieven, woekeraars, roovers, spelers, gierigaards, en alle degenen die een ergerlijk leven leiden. . . .....

Onze kerkelijke tucht gaat zoo over leven als leer, en in den bloeitijd van het Gereformeerde leven stelden onze kerken er dan ook prijs op,

Sluiten