Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RELIGIE EN DE ZONDE

35

Voegen wij er nog aan toe, dat al dergelijke vragen den denkenden mensch zoo lang bevangen houden, totdat hij waarlijk zondaar voor zijn God is geworden. In vele gevallen, vooral onder nog jonge menschen, komen zij uit op een nog onbekeerd hart, dat de wereld der zonde te lief heeft om er van te scheiden, en dat er toe dringt om over de zonde te redeneeren om, met het doel haar weg te redeneeren, toch vooral niet over haar in de schuld te vallen voor God.

Allen, die waarlijk over hun zonde voor God met den psalmist hebben gezegd: „Ik vond benauwdheid en droefenis" — lieten zich niet langer bevangen houden door de vraag naar haar mogelijkheid, maar hebben vroeger of later uit de diepte van haar angstige werkelijkheid geroepen: „Och, Heere, bevrijd mijne ziel!" (Psalm 116).

* *

Ligt de zonde niet slechts in ons willen, of ook in ons denken, als in de werkingen onzer ziel, maar veel dieper nog, in de ziel zelf, zoodat zij er geheel door is aangetast, besmet en bevlekt, toch mag dit nooit zóó worden verstaan, als ware de zonde een soort gif en dus iets stoffelijks, iets materieels.

Al zulke uitdrukkingen als: aangetast, besmet en bevlekt, en nog veel sterkere, om het verschrikkelijke van de zonde te doen uitkomen, zijn op zich zelf en voor dit doel zeker niet te veroordeelen.

De Schrift gaat er ons zelf in voor.

Denk er slechts aan, hoe Jesaja het zondig Juda, in niets sparend realisme, teekent onder het beeld van een melaatsen lichaam: „Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geene derzelve is met olie verzacht" (Jes. 1 : 6).

Doch de Schrift bedoelt dit alles symbolisch.

Het stoffelijke is dan altijd beeld van het geestelijke.

Maar gij moogt dergelijke uitdrukkingen over de zonde dan ook nooit anders zelf gebruiken of bij anderen verstaan dan als beelden.

Immers, de ziel is een geestelijke substantie of zelfstandigheid, en nu voelt ge, dat iets stoffelijks haar niet kan aandoen. Daarom is de zonde dan ook geen gif, geen krankheid, geen melaatschheid, maar hebt ge bij al die uitdrukkingen slechts te doen met „een derde van vergelijking".

Evenals een gif het lichaam aantast en verwoest, zoo de zonde de ziel.

# *

En evenmin is de zonde een ding, een wezen of een zelfstandigheid. Wat wij hiermee bedoelen, is dit.

God de Heere is aller dingen Schepper en alle dingen bestaan door Hem.

Toch komt aan de dingen, zij het ook, dat zij in diepe afhankelijkheid van Hem en, krachtens Zijn schikking of ordinantie, in samenhang met elkander bestaan, een zeker zelfstandig bestaan toe. Wij noemen ze dan ook „zelfstandigheden" of met een Latijnsch woord „substanties", ook

Sluiten