Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126 VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EEREDIENST

Gaan wij ook hier weer uit van het tweezijdige van den eeredienst.

De zondelooze, de heilige mensch, die in het uitwendige zijn God vereert, bedoelt, voor zoover hij daarbij actief is, daarbij handelt, niet aan zijn God „een dienst te bewijzen", want hij kent Hem als den Algenoegzame, dien hij niets kan geven, omdat Hij alles heeft.

Wat hij bedoelt, is slechts, in woorden en gebaren uiting te geven aan wat er voor God in zijn ziel leeft: aan zijn gevoel van bewondering, van dank en van vertrouwen, in woorden, die zijn mond uitspreekt in het gebed; aan zijn gewaarwording van ontzag, van eigen geringheid tegenover den Almachtige, in zijn buigen en knielen.

En ook, waar hij in den drang der heilige liefde zich geheel, naar ziel en lichaam, geeft aan zijn God, zich wijdt aan het dienen van Hem in zijn wereld — en van een ander offer kan er bij den zondeloozen, den heiligen mensch geen sprake zijn, — en dan in zijn gebed uitspreekt de onderschikking van eigen wil aan Gods wil, de verloochening van zich zelf tegenover God, dan bedoelt hij met dit betoon zelf van gehoorzaamheid en onderwerping, niet zijn God een „dienst te bewijzen", maar slechts zich zelf te sterken in het trouw dienen van zijn God.

En bij het tweezijdige van den eeredienst, zal hij met het luisteren naar Gods Woord, naar het spreken van zijn God tot hem, dan ook in dat gewillig en eerbiedig luisteren niet anders dan het middel zien, om m zijn bewustzijn op te nemen, of daarin te verrijken de gedachten van zijn God, den wil van zijn Schepper; opdat zijn godsvrucht des te inniger, zijn godsdienst des te zuiverder zij.

Kort saamgevat, zal dus voor den zondeloozen mensch de eeredienst niet dan middel zijn om de verhouding tusschen hem en zijn God of wat hetzelfde is, zijn religie te sterken.

In haar, de religie, vindt de eeredienst zijn naaste doel; voor dat doel is zij middel; aan dat doel is zij dienstbaar, en daarom juist heeft zij geen doel in zich zelf.

En eindelijk zal de zondelooze mensch, gelijk wij ons hem bij zijn eeredienst denken, zijn God uit het beginsel der heilige liefde niet anders dan naar Zijn wil willen vereeren.

Wat wij hier bedoelen, staat vlak tegenover wat de Schrift noemtethelothreskeia, van het Grieksche ethelo = „ik wil", en threskeia = dienst, en dus „eigendunkelijke" of „willekeurige godsdienst". Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Colossensen 2 : 23 waar Paulus spreekt van de geboden en leeringen der menschen, „dewelke wel hebben eene schijnrede van wijsheid in eigenwilügen Godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar tot verzading van het vleesch".

Wij zullen later gelegenheid hebben, op dit Schriftwoord nader terug te komen; hier is het ons alleen te doen om het God vereeren, ook in de uitwendige handelingen van den eeredienst, naar Zijn wil, tegenover de eigendunkelijkheid, de eigenwilligheid, die daarbij naar Gods wil niet vraagt.

Sluiten