Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146 VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EEREDIENST

nu niet heeft laten verbijsteren, en dus onbevangen kan oordeelen, zal bij eenig nadenken moeten toestemmen, dat deze bijbelplaats dezen dienst niet kan bewijzen. Immers, gesteld voor een oogenblik, dat Jeremia hier werkelijk bedoelt, dat er ten dage van het bij den Sinaï gesloten Verbond geen offerwet was gegeven, hoe zouden dan, bij de bekendheid der Joden met dit woord van een man van zooveel gezag als Jeremia, latere schrijvers daar vlak tegen in hebben durven gaan? Dit nu is ongerijmd.

En toch komt men tot deze ongerijmdheid, wanneer, zooals de moderne critiek beweert, die gedeelten uit Exodus, Leviticus en Numeri, waarin over de offerwetten wordt gehandeld en die, volgens deze boeken, dateeren uit de dagen van het bij den Sinaï gesloten Verbond, eerst na Jeremia zouden zijn geschreven.

Nu staat voor ons, die buigen voor het gezag der Schrift, ook des Ouden Testaments, als Gods Woord en mitsdien van geen „vroom bedrog" der door Gods Geest gedreven bijbelschrijvers, waarbij zij iets verhalen dat niet zou zijn gebeurd, willen weten, vast èn dat wat in de middelste der vijf boeken van Mozes omtrent de inzettingen van Israëls eeredienst wordt verhaald, waarheid is, èn dat mitsdien de profetische inspiratie van Jeremia daarmee niet in strijd kan wezen.

En daarom kan Jeremia 7 : 22 dan ook niet bedoelen, dat er van een offerwet ten dage van het bij den Sinaï gesloten Verbond geen sprake is.

Toch schijnt het „noch hun geboden van zaken des brandoffers of Slachtoffers", uit deze bijbelplaats, een tegenstrijdigheid te bevatten met de nadrukkelijke berichten omtrent de Goddelijke inzettingen voor de offers ten tijde van Mozes.

Maar dit is feitelijk niet meer dan een sch^ntegenstrijdigheid. Want leg nu eens naast Jeremia 7 : 22 wat ge leest in Exodus 16. Israël, zoo wordt ons daar verhaald, was in de woestijn Sin. Het mist daar de vleeschpotten van Egypte. En nu leest gij in vers 2: „En de gansche vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aüron."

In vers 8 echter leest gij, dat Mozes daarop tot het volk zeide: „Uwe murmureeringen zijn niet tegen ons, maar tegen den Heere."

Zijn hier nu deze twee bijbelverzen feitelijk met elkaar in strijd? Wordt hier nu in vers 8 ontkend, wat in vers 2 wordt bevestigd?

Immers neen.

Vers 8 toch bedoelt volstrekt niet, dat de Israëlieten niet tegen Mozes en Aaron hadden gemurmureerd, maar alleen, dat de zonde van het murmureeren tegen Mozes en Aaron verdwijnt, in vergelijking met die van het murmureeren tegen den Heere Zelf.

En zoo staat het nu ook met de woorden uit Jeremia 7 : 22 en de Mozaïsche berichten omtrent de Goddelijke inzetting van Israëls offerdienst ten dage van het aan den Sinaï gesloten Verbond. Jeremia ontkent de waarheid dier berichten niet, maar in zijn profetischen ijver tegen een vorm waaraan het wezen ontbreekt; tegen het werktuiglijk offer brengen, omdat het hart er in wordt gemist; herinnert hij er zijn tijdgenooten aan, dat de religieuze handeling zonder de geestelijke gezindheid niets is; dat de waarde van het offer slechts betrekkelijk is. Het is een zelfde gedachte als die, welke Samuel voor Saul uitspreekt,

Sluiten